1. Het is in daartoe in het omgevingsplan aangewezen gebieden vanaf percelen waarop gebouwd of verbouwd wordt niet toegestaan te lozen op een gemeentelijke rioolvoorziening, tenzij een waterberging is aangebracht. De waterberging moet ook in stand gehouden worden, zodat deze blijft functioneren zoals bedoeld.

2. De verplichting tot waterberging geldt voor nieuwe ontwikkelingen en ontwikkelingen in bestaand bebouwd gebied.

3. Voor de waterberging gelden de eisen zoals opgenomen in de volgende tabel:

Oppervlak

Nieuwe ontwikkelingen

Ontwikkelingen in

bestaand bebouwd gebied

< 500 m

60 mm

10 mm

> 500 m²

60 mm

60 mm

Waarbij onderstaande toelichting en aanvullingen gelden:

a. Het onderscheid tussen kleine (<500 m2) en grote (>500 m2) ontwikkelingen betreft het totale oppervlak van de ontwikkeling;

b. Inbreidingen en herbouw na sloop worden beschouwd als nieuwe ontwikkelingen;

c. Verbouwingen en herstructurering worden beschouwd als ontwikkelingen in bestaand bebouwd gebied;

d. Het oppervlak waarover de bergingseis berekend wordt betreft het totale verhard oppervlak;

e. De bergingseisen zijn van toepassing op ieder particulier terrein binnen een ontwikkeling;

f. Bij een uitbreiding van het bebouwd oppervlak vanaf 500 m² komt de bergingseis terug in de eisen van het waterschap in de watertoets.

4. De waterberging bevindt zich boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand.

5. De hoeveelheid hemelwater die niet kan worden geborgen in de waterberging kan onder voorwaarden via een noodoverloop geloosd worden op een nader aan te wijzen openbare rioolvoorziening.

6. De verplichting tot waterberging bij nieuwe ontwikkelingen en ontwikkelingen in bestaand bebouwd gebied geldt vanaf de dag na de bekendmaking van de gebiedsaanwijzing.