1. Het gebied waarvoor het lozingsverbod van artikel 2 en de verplichting tot waterberging van artikel 3 gelden, wordt aangewezen in de gebiedsaanwijzing en betreft het werkingsgebied.
2. Bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing volgt het college van burgemeester en wethouders het gemeentelijk waterprogramma.
3. De gebiedsaanwijzing treedt in werking op de dag na de bekendmaking.