**1..** Kabels en leidingen van algemeen nut worden in het beperkingengebied lokale spoorweg, met inachtneming van artikel 4, onder voorwaarden parallel liggend aan de lokale spoorweg toegestaan.
In alle andere gevallen dienen de kabels en leidingen kruisend en haaks onder de sporen te worden aangebracht.
Parallel liggende kabels en leidingen worden alleen toegestaan indien:
er geen alternatief tracé is en de kabels minimaal 0,90 meter onder bovenkant spoorstaaf liggen;
de kabels mogen in geen geval binnen de drukzone van de spoorconstructie worden gelegd. De drukzone loop van 1,30 meter uit het hart spoor vanaf bovenkant spoorstaaf in een helling van 1:1,5 naar beneden.
**2..** Het leggen van kabels en leidingen onder kruisingen, bogen, wissels en constructielassen in tramsporen is niet toegestaan.
**3..** De horizontale aan te houden afstand tot bovenleidingsportalen (inclusief fundatie) dient minimaal 3,0 m te zijn.
**4..** Het leggen van kabels en leidingen in het beperkingengebied lokaal spoor rondom tramhaltes is, behoudens de nadrukkelijk door de provincie gewenste huisaansluitingen ten behoeve van de halte zelf of de haltevoorzieningen, niet toegestaan.
**5..** Kruisende kabels en leidingen mogen alleen door boring of persing worden aangebracht.
**6..** Kabels en leidingen moeten te allen tijde zijn omgeven door een beschermbuis (KIWA-normen) over de gehele lengte. Uitzondering daarop is mogelijk indien een liggingsdiepte onder het maaiveld wordt aangehouden van meer dan 16 meter en het leidingmateriaal en de bodemgesteldheid ter plaatse dit toelaten.
**7..** De minimaal aan te houden boordiepte voor kabels en leidingen, gemeten vanaf de bovenzijde van het boorgat tot aan het laagstgelegen punt aan de oppervlakte, is afhankelijk van de diameter van het boorgat en bedraagt voor een boorgat
Ø <400mm 6m;
Ø400- 600 mm 8 meter
Ø 600 – 800 mm 12 meter
Ø > 800 mm 16 meter
Hoofdstuk 5
Artikel 11