Naar hoofdinhoud
1.. Kabels en leidingen worden met inachtneming van artikel 4 onder voorwaarden toegestaan in de oever langs de vaarweg, boven de vaarweg en uitsluitend indien noodzakelijk in verband met het ontbreken van alternatieven in de dwarsrichting onder de vaarweg. 2.. De afstand (in het horizontale vlak) tot respectievelijk oeverconstructies en vaarweggebonden objecten (inclusief fundatie) op de oever tenminste 1.00 respectievelijk 2.00 meter, tenzij op grond van de vergunningsaanvraag een geringere afstand kan worden toegestaan. 3.. Kruisende kabels en leidingen worden zoveel mogelijk in een rechte hoek ten opzichte van de vaarweg aangelegd. 4.. Kabels en leidingen liggen in de (water-)bodem tussen de oevers en onder de oeverbeschermingsconstructies tenminste met een gronddekking van 2 meter. Een mindere gronddekking is uitsluitend toegestaan op een nadrukkelijk en gemotiveerd schriftelijk verzoek daartoe van de netbeheerder. Het verzoek zal worden beoordeeld aan de hand van de te beschermen oogmerken als genoemd in artikel 3 van deze beleidsregel. Bij meren is de diepteligging tenminste 2 meter ten opzichte van de bovenkant waterbodem. 5.. In aanvulling op het vierde lid, voldoet de ligging van een nieuw aan te leggen kruisende kabel of leiding in het beperkingengebied vaarwegen, aan de bij de vaarweg behorende vastgestelde minimaal benodigde vaarwegdiepte. Zoals aangegeven in de bijlage II van de bij deze beleidsregel gevoegde tabel. 6.. Gedeputeerde Staten kunnen een grotere gronddekking dan de minimale gronddekking als bedoeld in het vierde lid eisen. Dit is afhankelijk van de locatie en wordt mede bepaald door: de bestaande oeverinrichting, waaronder de oeververdediging, waterkeringen, poldersloten, bebouwing of begroeiing; toekomstige verticale oeververdedigingen, waaronder extra lange damwandplanken, vaar-wegverbredingen of wijzigingen in de oeververdediging; uit te voeren regulier onderhoud; de belangen van de oevereigenaar; nader onderzoek bij bijzondere lokale omstandigheden zoals een strek fluctuerende waterbodem of erosie. 7.. Bij kunstwerken zoals bruggen, sluizen en aquaducten vindt, indien mogelijk, bundeling plaats in een kabel- en leidingenstraat, waarbij de positionering afhankelijk is van de aanwezigheid ter plaatse van geleidewerken en wachtvoorzieningen voor het scheepvaartverkeer. 8.. In aanvulling op artikel 5 van deze beleidsregel is graven binnen een afstand van 5 meter vanaf de voet van kunstwerken zoals bruggen, sluizen en aquaducten (inclusief fundering en bijkomende werken) niet toegestaan, tenzij in de voor de werkzaamheden ontvangen vergunning anders is bepaald. 9.. Bij een kabel- en leidingenstraat is de kabel of leiding met de minst diepe ligging bepalend voor de toelaatbaarheid van de gehele straat. 10.. Kruisende kabels en leidingen worden in een mantelbuis gelegd. De mantelbuis kan, voor zover niet anders in de vergunning is bepaald, worden aangelegd door middel van ingraven of persen en bij onvoldoende gronddekking, waarbij een uitzondering mogelijk is, met een gestuurde boring. bij het maken van meerdere getuurde boringen en bij het boren naast een bestaande mantel-buis dient minimaal een onderlinge afstand van 5 meter te worden aangehouden. 11.. Bij gebruik van een mantelbuis wordt de bovenkant van de mantelbuis aangehouden als maatvoering voor de gronddekking of diepteligging daarvan. 12.. Langsliggende kabels en leidingen in de oever kunnen worden toegestaan als voldaan wordt aan: een minimale gronddekking van tenminste 0,70 meter beneden het maaiveld; een ligging buiten de invloedssfeer van de aanwezige of in de toekomst aan te brengen beschoeiing inclusief bijkomende verankering, die van toepassing is op betreffende vaarweg. 13.. Verzoeken van een netbeheerder om ter plaatse van een kabel of leiding geen verdiepings-, verbredings- of onderhoudsbaggerwerk uit te voeren of een damwand aan te brengen, teneinde voldoende gronddekking te kunnen behouden, worden niet gehonoreerd, tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie, waarbij getoetst wordt aan: essentiële technische beperkingen en risico’s; significante financiële gevolgen; de nautische veiligheid. 14.. Een aanvraag om een vergunning voor een hoogspannings- of andere kabel boven de vaarweg, wordt getoetst aan: de CEMT-classificatie van beroepsvaarwegen en de daaraan verbonden voorwaarden, zoals opgenomen in de vigerende Richtlijn Vaarwegen van Rijkswaterstaat; de classificatie van recreatieve vaarwegen: Azm, Bzm en Czm 30 meter Cm, Dm 15 meter E en F, mits opgenomen op de A-lijst 15 meter Uitzonderingen voor de klassen Bzm en Czm tot 20 meter, zijn mogelijk als er een alternatieve vaarweg op korte afstand beschikbaar is tot 30 meter hoogte; de hoogte als bedoeld in a, b en c, betreft de bovengrondse hoogte en wordt bepaald op basis van het geldende streefpeil, kanaalpeil of het polderpeil.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel