**1..** Kabels en leidingen van algemeen nut worden, met inachtneming van het hierboven bepaalde, onder voorwaarden toegestaan in de berm parallel liggend aan de weg.
**2..** Uitsluitend indien noodzakelijk in verband met het ontbreken van alternatieven mogen kabels en leidingen ook in de dwarsrichting dan wel onder de wegverharding worden gelegd, mits:
kruisende kabels en leidingen zoveel mogelijk in een rechte hoek ten opzichte van de weg worden aangelegd;
de ligging van de kabel of leiding in de wegberm tenminste 0,60 meter diep beneden het maaiveld is, dan wel 1 meter beneden het laagste punt van de bovenkant van de verharding;
ter plaatse van te kruisen bermsloten de gronddekking beneden de vereiste bodemdiepte en wederzijdse belopen tenminste 1.00 meter is;
de afstand tenminste 1,50 meter uit de kant verharding van de hoofdrijbaan is en tenminste 1.00 m uit de kant verharding van de parallelweg, zijweg of fietspad;
voldaan wordt aan de zo nodig te stellen voorwaarden ten aanzien van de werkmethode of het aanbrengen van extra voorzieningen en beschermende constructies in verband met het leggen van de kabel/leiding.
**3..** In aanvulling op artikel 4.31 van de Omgevingsverordening worden bij vervanging van kabels en leidingen of bij de reconstructie van de weg, de kabels en leidingen die in de langs richting liggen, zodanig verlegd dat deze zich in de nieuwe situatie buiten verharding en de dragende onderlaag van de weg bevinden. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt bij:
een traverse binnen een bebouwde kom waar geen alternatief tracé beschikbaar is;
een infrastructureel kunstwerk binnen de openbare ruimte, waar geen alternatief beschikbaar is;
kosten van de aanpassing/verlegging onevenredig hoger zijn dan de kosten van maatregelen bij een ongewijzigde of verdiepte ligging, onder voorwaarde dat:
de netbeheerder aantoont dat de risico’s van de kabel of leiding voor het wegbeheer tot een acceptabel niveau zijn teruggebracht;
de netbeheerder accepteert dat de kabel of leiding niet meer bereikbaar is voor onderhoud of reparatie of andere restricties;
naar het oordeel van de wegbeheerder de risico’s voor de weggebruiker acceptabel zijn. Vooral holle buisconstructies zijn ongewenst onder verhardingen;
de netbeheerder de meerkosten draagt van de door de provincie uit te voeren werkzaamheden, die het gevolg zijn van het niet verleggen van de kabel of leiding.
**4..** Indien langs wegen kabel- en leidingenstroken zijn aangewezen, worden kabels en leidingen in principe hier gelegd, overeenkomstig het daarbij horende dwarsprofiel voor diepteligging en afstanden tot de verschillende soorten kabels en leidingen en overige objecten.
**5..** Bij vervanging of renovatie van kunstwerken zoals bruggen, viaducten en sluizen, mogen kabels en leidingen in principe niet terug worden geplaatst in het (brug-) wegdek, tenzij ter plaatse man-telbuizen aanwezig zijn en hierin voldoende ruimte beschikbaar is. Dit met uitzondering van man-telbuizen die uitsluitend voor eigen provinciale netwerken beschikbaar zijn.
**6..** Bij kruisende kabels en leidingen worden in ieder geval voorwaarden gesteld in de omgevingsvergunning ten aanzien van de ligging van de kabel of leiding ten opzichte van de verharding van de weg de wijze van uitvoering bij onvoldoende gronddekking en het verwijderen van materialen.
**7..** Bij gebruik van een mantelbuis wordt de bovenkant van de mantelbuis aangehouden als maatvoering voor de vereiste gronddekking of diepteligging.
Hoofdstuk 3
Artikel 9