1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een gemeentelijk (archeologisch) monument, zijnde een gebouw, bouwwerk, object, tuin of park, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aan te wijzen als beschermd gemeentelijk (archeologisch) monument.

2. Dit artikel is niet van toepassing op:

a) rijksmonumenten, en;

b) monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.

3. De aanwijzing als bedoeld in het eerste lid heeft in het geval van gebouwen en bouwwerken uitsluitend betrekking op het exterieur en het casco. Beschermingswaardige elementen uit het interieur, bijgebouwen dan wel andere constructies, vallen uitsluitend onder de beschermende werking van de aanwijzing indien deze uit het oogpunt van cultureel erfgoed van bijzondere betekenis zijn en als zodanig expliciet zijn aangeduid in het besluit tot aanwijzing en omschreven in de bijbehorende redengevende beschrijving.