1. Het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet, dan wel de bij de gemeente bekende eigenaar.
2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.
3. Voordat over de aanwijzing als bedoeld in artikel 5, lid 1 een besluit genomen wordt:
a) een redengevende beschrijving opgesteld en;
b) wordt het object beoordeeld aan de hand van de door burgemeester en wethouders vastgestelde criteria (erfgoedscan);
c) onderdeel van de erfgoedscan vormt een toelichting op de score per onderdeel, voor zover dat onderdeel van toepassing is.
d) In geval van bijzondere omstandigheden, door burgemeester en wethouders te bepalen, kan bij de aanwijsprocedure het toepassen van de criteria als bedoeld in dit artikel, derde lid 3, onder b achterwege blijven.
4. Indien dit door burgemeester en wethouders noodzakelijk wordt geacht, wordt voorafgaand aan de aanwijzing een bouwhistorisch onderzoek opgesteld.
5. Voordat over de aanwijzing als bedoeld in artikel 5, lid 1 een besluit genomen wordt, wordt advies gevraagd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Zie ook artikel 8.
6. Indien de waarderingsscore (uitkomst) van de efgoedscan als bedoeld in artikel 6, lid 3, onder b gelijk of hoger is dan 3,50, komt het monument (object of structuur) voor aanwijzing in aanmerking. De minimale score geldt niet als door burgemeester en wethouders is bepaald dat de erfgoedscan buiten toepassing blijft conform artikel 6, lid 3, onder d van deze verordening.
7. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanwijsprocedure, tenzij expliciet door burgemeester en wethouders van toepassing wordt verklaard.