Geen omgevingsvergunning wordt verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit:
1. Er is strijd met de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b en 8.0e van het Bkl.
2. Als geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3. De omgevingsplanactiviteit heeft betrekking op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan.
4. De omgevingsplanactiviteit belemmert het uitvoeren van een project, waarvoor een projectbesluit is vastgesteld.
5. Voor het toelaten van de gewenste ontwikkeling moet de gemeente algemene regels voor andere locaties in het omgevingsplan wijzigen.
Indien het bouwwerk in strijd is met het burenrecht of sprake is van een evidente privaatrechtelijke beperking;
6. Indien het bouwwerk niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
7. Indien het bouwwerk wordt gebouwd in een gebied waar blijkens het omgevingsplan of een advies van de stadsarcheoloog (indien archeologie niet is opgenomen in het omgevingsplan, geldt artikel 22 van de Efgoedverordening) archeologische waarden worden verwacht én waar op grond van het omgevingsplan of het advies van de stadsarcheoloog, gelet op de oppervlakte dan wel de diepte van het bouwwerk, een archeologisch onderzoek vereist is waaruit blijkt dat ter plekke archeologische waarden aanwezig zijn en geen passende maatregelen kunnen worden getroffen om deze waarden veilig te stellen.
8. Als er strijdigheid is met provinciale Omgevingsverordening (instructieregels).
Artikel 4 Bijbehorende bouwwerken bij woningen binnen de bebouwde kom
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen gelegen binnen de bebouwde kom kan worden verleend, mits:
1. gebouwd wordt op een afstand van minimaal 1,0 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. Indien sprake is van twee voorgevelrooilijnen, bijvoorbeeld in hoeksituaties, geldt dit niet voor de voorgevelrooilijn die in het verlengde van de zijgevel ligt. In dergelijke gevallen mag er tot in de voorgevelrooilijn worden gebouwd (zie voor dubbele voorgevelrooilijn ook artikel 2 wijze van meten en de toelichting hierop).
2. gebouwd wordt tegen of op een afstand groter dan 1,0 meter uit de perceelsgrens;
3. in geval de oppervlakte van de gronden van het achtererf van de woning kleiner of gelijk is dan 100 m²: 50% van de oppervlakte van deze gronden;
4. in geval de oppervlakte van de gronden van het achtererf van de woning groter is dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van deze gronden dat groter is dan 100 m²;
5. in geval de oppervlakte van de gronden van het achtererf van de woning groter is dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van deze gronden dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m²;
6. ten aanzien van aangebouwde bijbehorende bouwwerken geldt dat:
a. bestaande uit maximaal een bouwlaag;
b. de nokhoogte niet meer mag bedragen dan 5,5 meter;
c. de goothoogte van de uitbreiding niet hoger mag zijn dan 0,3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw tot een maximum van 4 meter.
7. ten aanzien van vrijstaande bijbehorende bouwwerken geldt dat:
a. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3,3 meter;
b. de nokhoogte niet meer mag bedragen dan 5,5 meter;
8. ten aanzien van het realiseren van een hekwerk als onderdeel van het bijbehorend bouwwerk geldt:
a. hekwerk levert geen aantasting op van de beeldkwaliteit;
b. hekwerk dient op tenminste 2,0 meter van de zijdelingse perceelsgrens te worden gesitueerd en de eigenaren van het naburige erf schriftelijk verklaren hiertegen geen bezwaar te hebben;
c. hoogte van het hekwerk bedraagt maximaal 1,2 meter, waarbij de bovenzijde van het hekwerk, gemeten vanaf het aansluitende terrein, niet hoger mag zijn gelegen dan 5 meter.