De plicht van de ouder(s) om zorg te dragen voor hun kind(eren) blijft bestaan ook als het kind uit huis is geplaatst (artikel 69 tot en met 76 van de Wet op de Jeugdzorg). De bijdrage die de ouder(s) of stiefouder(s) voor de verzorging van hun uit huis geplaatst kind moeten betalen, wordt bepaald door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te Rotterdam op grond van het Uitvoerings- besluit Wet op de Jeugdzorg (Staatsblad 2004, 703). Het LBIO draagt ook zorg voor de inning van de bijdragen. In het algemeen zal het LBIO die ouder aanschrijven die de kinderbijslag of de alimentatie ontvangt.
De hoogte van de bijdrage is afhankelijk van de leeftijd van het uit huis geplaatste kind en de duur van het verblijf gedurende een etmaal. Verder ligt het besparingmotief ten grondslag aan de hoogte van de eigen bijdrage. Ten gevolge van de verzorging elders, is er sprake van kostenbesparing voor de ou- der. De hoogte van de ouderbijdrage is gebaseerd op de gemiddelde kosten per maand voor één kind. Hierbij wordt uitgaan van een huishouden met twee kinderen en een netto inkomen op het niveau van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder. Verder is er bij de vaststelling van de ouderbij- drage van uitgegaan dat een redelijk deel van het totale bedrag dat een kind gemiddeld kost, gereser- veerd moet kunnen blijven ten behoeve van reiskosten voor het kind, en dergelijke kosten die de ou- ders blijven houden. Het resterende bedrag, dat deels uit de kinderbijslag kan worden betaald, geldt als bijdrage in de kosten van hulpverlening (zie TK 1994-1995, 22 060, nr. 42b).
Wanneer bijzondere bijstand
De (alleenstaande) ouder die zijn uit huis geplaatst kind niet in belangrijke mate onderhoudt, krijgt geen kinderbijslag! Het betreffende kind is dan, op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel e WWB, geen ten laste komend kind meer. Hierdoor kan deze ouder niet langer meer als alleenstaande ouder worden aangemerkt, maar is hij een alleenstaande. De LBIO-bijdrage voor een persoon met een WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande wordt buiten invordering gesteld.
Het ministerie van SZW is de mening toegedaan dat bovenstaande redenering ook mogelijk is via arti- kel 4, eerste lid, onder b, WWB. Namelijk, het uit huis plaatsen van het kind/de kinderen van de al- leenstaande belanghebbende leidt ertoe dat deze niet langer meer de volledige zorg heeft over het kind/de kinderen, zodat de alleenstaande belanghebbende (altijd) moet worden aangemerkt als al- leenstaande. Omdat de belanghebbende dan de ouderbijdrage niet meer kan (zal) voldoen en zo- doende zijn kind niet meer in belangrijke mate onderhoudt, ontvangt hij geen kinderbijslag meer.
Op grond van een aanwijzing van de Minister van VWS wordt de ouderbijdrage in individuele gevallen op voorhand buiten invordering gesteld. Het gaat daarbij om die gevallen waarin de aflossingscapaci- teit ontbreekt om de ouderbijdrage te voldoen. Dat is het geval indien de bijdrageplichtige rechtmatig een uitkering ontvangt:
op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a en b WWB;
op grond van artikel 23 WWB; of op grond van een andere zak- en kleedgeldvergoeding;
op grond van de Rva 2005.
Indien de LBIO-bijdrage verschuldigd is voor kinderen voor wie geen aanspraak op kinderbijslag bestaat, geldt dat er geen bijstand kan worden verleend, omdat de kosten van de LBIO-bijdrage in dat geval kosten zijn ter voldoening van alimentatieverplichtingen. Op grond van artikel 14 onderdeel a WWB zijn alimentatieverplichtingen niet-noodzakelijke kosten (zie CRvB 03-02-2004, nr. 01/3689 NABW en CRvB 01-03-2005, nr. 03/1355 NABW).
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 6.3.
Artikel 6.3.6.
LBIO-bijdrage residentiële opvang
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2012