Artikel 13, eerste lid, onder g7Art. 13. Uitsluiting van bijstandGeen recht op bijstand heeft degene: die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien., artikel 48, tweede lid, onderdeel d8Art. 48. Geldlening en borgtochtBijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, indien: het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflos- sing van een schuldenlast betreft., en artikel 499Art. 49. SchuldenlastIn afwijking van artikel 13, eerste lid, onderdeel f, kan het college bijzondere bijstand verlenen:a.in de vorm van borgtocht indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog door- gang te doen vinden door een:1º. gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet op het consumentenkrediet;2º. kredietinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank dan wel daarmee geen relatie onderhoudt;b.indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt. hebben in onderlinge samenhang bezien onder meer betrekking op de vraag in welke gevallen, op welke wijze en in welke vorm bijstand kan worden verleend voor schulden.
Vanuit de gedachte dat eenieder verantwoordelijkheid draagt voor de eigen schulden is het uitgangspunt dat - bijzondere situaties daargelaten - geen bijstand wordt verleend voor schulden.
Toch wordt het wenselijk geacht om in gevallen waarin de gemeente van oordeel is dat in het concrete geval bijstandverlening voor schulden geboden is, aan de gemeente zelf over te laten of bijstand voor schulden wordt verleend om niet, dan wel in de vorm van een geldlening of borgtocht. Als voorbeeld kan worden genoemd de situatie waarin de betrokkene ten tijde van het ontstaan van de schuldenlast beschikte over een inkomen dat de bijstandsnorm ruim overschreed en een lening afsloot op basis van dat inkomen. De schuldenlast hoeft dan lang niet altijd voort te vloeien uit een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat door onvoorzienbare omstandigheden het inkomen sterk daalt nadat de lening is afgesloten, waardoor de betrokkene niet meer aan de aflossingsverplichtingen kan voldoen.
Ook de jurisprudentie biedt de ruimte om in zeer bijzondere omstandigheden bijstand te verlenen voor het betalen of verminderen van een schuld. De toegestane uitzonderingen op genoemde algemene regel zijn evenwel zeer specifiek van aard. Of zich zeer dringende redenen voordoen die een afwijking van de gegeven hoofdregel rechtvaardigen, is ter beoordeling aan burgemeester en wethouders. De jurisprudentie geeft daarbij enig houvast.
Voorliggende voorzieningen
De Wet schuldsanering natuurlijke personen (WNSP), die per 1 december 1999 in werking is getre- den, vormt een voorliggende voorziening. Een belangrijke nevendoelstelling van deze wet is het bevorderen van de bereidheid van schuldeisers tot het treffen van een vrijwillige regeling met de schuldenaar waardoor het uitspreken door de rechter van een wettelijke schuldsaneringsregeling achterwege kan blijven.
De WWB speelt geen uitgebreide rol in het kader van schuldsanering. Schuldsanering is een taak die vooral door gemeentelijke kredietbanken wordt vervuld. In de praktijk komt het voor dat een krediet- bank niet tot het verstrekken van een saneringskrediet overgaat, aangezien het inkomen van betrok- kene te weinig zekerheid biedt dat deze aan de aflossing kan voldoen. Wanneer om die reden de kre- dietbank tot een afwijzing van de aanvraag voor een saneringskrediet heeft besloten, kan het wense- lijk zijn, indien schuldsanering noodzakelijk en urgent is doordat het voortbestaan van de schuld be- trokkene in zijn bestaan bedreigt, dat borgstelling op grond van deze wet plaatsvindt, zodat de krediet- bank alsnog tot de verstrekking van een saneringskrediet kan besluiten.
Als voorliggende voorziening wordt eveneens een al toegekende langdurigheidstoeslag aangemerkt.
Huurschuld/ Energieschuld
De betaling van de huur, energie (waaronder elektra en water) behoort tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan vanuit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand. In geval van een huurschuld betekent dit, dat er in beginsel hiervoor geen bijstandsverlening mogelijk is. Wanneer een schuld is ontstaan, dient men in principe zelf een regeling met de verhuurder c.q. leverancier te treffen. Dit geldt ook bij (even- tuele) uitzetting c.q afsluiting.
Opgemerkt wordt, dat met ingang van 1 januari 2008 de Wet schuldsanering natuurlijke per- sonen (Wsnp) is gewijzigd. Een nieuw aspect is het moratorium.Een moratorium voorkomt dat een schuldeiser zijn specifieke inningsmogelijkheden gebruikt terwijl een aanvraag tot een minnelijke regeling in behandeling is. Met een verzoek kan de schuldenaar de ontruiming-, beëindiging- of ontbindingmaatregel opschorten. Dit houdt in dat bijvoorbeeld de verhuurder niet mag ontruimen tijdens een door de rechter vastgestelde periode van maximaal zes maanden. De gedachte hierachter is dat de schuldenaar zo (beperkt) de tijd krijgt om de schulden in kaart te brengen en een aanbod aan alle schuldeisers te doen. De schuldeiser kan in die peri- ode zijn schuld niet innen op een wijze die een eventuele minnelijke regeling frustreert.
In de volgende gevallen is een moratorium mogelijk:
als een verhuurder een gedwongen woningontruiming wil uitvoeren;
als een leverancier gas, water en/of licht wil afsluiten; en
als een zorgverzekeraar de verzekering wil stopzetten.
Andere schulden
Andere schulden, zoals bij een postorderbedrijf, moet men zelf proberen te regelen. Hiervoor wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.
Belastingschuld
Wanneer een aanslag van de inkomstenbelasting wordt ontvangen, dient men deze zelf te betalen. Als onvoldoende middelen aanwezig zijn om de belastingschuld te betalen, kan hiervoor een verzoek om kwijtschelding ingediend worden. Bij een eventuele afwijzing dient een betalingsregeling met de Belas- tingdienst getroffen te worden. Een aanslag van de inkomstenbelasting komt niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.
Vorm bijzondere bijstand
De bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van borgtocht, indien de belanghebbende alleen on- der deze voorwaarde een lening kan afsluiten hij een geldverstrekker (meestal de gemeentelijke kredietbank). Indien borgtocht niet mogelijk is, wordt de bijzondere bijstand verleend in de vorm van een geldlening. Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, is het mogelijk om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken.
Aflossing geldlening
Zie voor de hoogte van de aflossingsbedragen § 2.4.8. In principe wordt er geen kwijtschelding verleend na 36 maanden, maar dient de lening volledig te worden afgelost.
Aan de bijstand verbonden verplichtingen
de verplichting om uit de toegekende bijzondere bijstand de betreffende kosten/ schuld te voldoen;
de verplichting om betalingsbewijzen te overleggen;
specifieke verplichtingen in verband met het feit dat de bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht;
de verplichting om mee te werken aan budgettering;
de verplichting om mee te werken aan de WNSP;
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 7.2.
Artikel 7.2.1.
Schulden
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2012