Situationeel grondbeleid blijft, net als in het voorgaande Beleidskader Strategisch Grondbeleid Haarlemmermeer 2019-2023, het uitgangspunt. Situationeel grondbeleid betekent dat afhankelijk van de situatie een bijpassende vorm van grondbeleid wordt gekozen. Onder situationeel grondbeleid zijn zowel actief als faciliterend grondbeleid als een tussenvorm mogelijk. Dit biedt de gemeente de ruimte om de vorm van het grondbeleid en de instrumenten die worden ingezet af te stemmen op de concrete situatie. De keuze van grondbeleid is afhankelijk van onder meer de gewenste mate van sturing om ruimtelijke doelstellingen te realiseren, de belangstelling van marktpartijen, de financiële ruimte van de gemeente, de bereidheid (financieel) risico te nemen, de verdeling van de eigendomsposities, enzovoort. Voor elke ontwikkeling wordt een afweging gemaakt om te bepalen welke ontwikkelstrategie en welke vorm van grondbeleid het meest geschikt is. Op die manier kunnen, afhankelijk van de concrete situatie, specifieke grondinstrumenten worden ingezet, samenwerkingen worden aangegaan en kan voor elke opgave maatwerk worden geleverd. Via een brede inzet van en keuze uit de beschikbare grondinstrumenten kan er een evenwichtige ruimtelijke ontwikkeling worden gerealiseerd.
Situationeel grondbeleid heeft zich de afgelopen jaren positief bewezen. In de gemeente is veel grond tot ontwikkeling gebracht. Deels op eigen grond zoals in Beukenhorst Zuid en Badhoevedorp Centrum, maar ook in samenwerking met marktpartijen en/of andere overheden zoals in Tudorpark en met Schiphol Area Development Company (SADC), en door private ontwikkelingen te faciliteren zoals in Tudorgardens en Wickevoort. Ook hebben kleinschalige private woningbouwontwikkelingen tot een toename van de woningvoorraad geleid.
Het faciliteren van ruimtelijke ontwikkelingen is een belangrijk onderdeel van het situationeel grondbeleid. Door de grote vraag naar woningen zullen marktpartijen met grondposities hun gronden de komende jaren tot ontwikkeling willen brengen. Ten opzichte van actief grondbeleid neemt de gemeente bij faciliterend grondbeleid minder de regie en beperkt zij zich meer tot het scheppen van ruimtelijke en financiële kaders, waardoor er meer verantwoordelijkheid bij de marktpartijen komt te liggen.
Bij een faciliterende rol biedt de Omgevingswet de gemeente instrumenten voor kostenverhaal, financiële bijdragen en het stellen van locatie-eisen. Dankzij dit kader is het mogelijk om een goede ruimtelijke ordening tot stand te brengen zonder zelf risicodragend gronden aan te kopen en in ontwikkeling te brengen. Het initiatief wordt hierbij overgelaten aan marktpartijen met eigen grondposities.
Een actieve rol van de gemeente blijft tot de mogelijkheden behoren. Het door de gemeente actief aankopen van (strategische) gronden en in ontwikkeling brengen van gronden kan om diverse redenen gewenst zijn. Een gemeentelijke grondpositie kan meerdere effecten hebben: het kan de regie op een ontwikkeling vergroten, de ontwikkeling aanjagen en het kan het realiseren van ruimtelijke doelstellingen mogelijk maken, zoals infrastructuur, woningen, kantoren, bedrijven, scholen, sportvoorzieningen, groen en recreatie. Dit laatste is met name van belang in een situatie waarbij marktpartijen die een rol willen en kunnen spelen ontbreken, waardoor de gemeente zelf gronden zal moeten verwerven en in ontwikkeling brengen om de gewenste ruimtelijke doelen te bereiken. De actieve rol zal zich naar verwachting ook de komende jaren blijven voordoen, zoals in de Spoorzone Hoofddorp. Tevens biedt actief grondbeleid de mogelijkheid om naast het realiseren van ruimtelijke doelstellingen winst te genereren die kan worden ingezet om de gemeentelijke ambities te realiseren. Actief grondbeleid brengt daarentegen ook financiële risico’s met zich mee.
Kader: modernisering van het grondbeleid
Door de druk op de woningbouwmarkt heeft de rijksoverheid verschillende programma’s uitgerold om nieuwe woningen versneld en in grote aantallen te realiseren. Hierin is grondbeleid een belangrijke facilitator en de inrichting van dit grondbeleid is op het niveau van de Rijksoverheid in de aandacht komen te staan. Hierbij is de centrale vraag hoe het grondbeleid te moderniseren zodat het beter ten dienste komt te staan van gebieds- en daarmee woningbouwontwikkeling.
In de brief aan de tweede kamer van 19 juni 2023 schetst de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening drie sporen waarlangs hij het grondbeleid wil moderniseren. Spoor I beschrijft maatregelen die op korte termijn kunnen worden ingezet om de beschikbaarheid van grond te verhogen en gebiedsontwikkelingen te versnellen binnen het bestaande wettelijk kader. Dit spoor richt zich op het beter benutten van reeds beschikbare instrumenten. Het tweede en derde spoor richten zich meer op de langere termijn en het probleem dat gebiedsontwikkeling vaak te duur is. Spoor II is gericht op het zorgen dat publieke kosten zoveel mogelijk ten laste kunnen worden gebracht van grondeigenaren en baathebbers. Bij spoor III gaat het om het mogelijk fundamenteel anders inrichten van het grondbeleid, zodat waardeveranderingen van de grond in de eerste plaats zoveel mogelijk ten goede komen aan publieke doelen. Deze laatste twee sporen zijn meer verkennend van aard, waarbij het onderzoek naar (en het gesprek over) het nut, de noodzaak en de uitvoerbaarheid ervan een logisch onderdeel is. Sporen II en III zullen voorlopig geen aanleiding geven om ons Kader grondbeleid aan te passen. Voor Spoor I is ruimte binnen het situationeel grondbeleid.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.3
Situationeel grondbeleid
Onderdeel van Kader Strategisch Grondbeleid Haarlemmermeer 2024-2029