Hieronder worden de geluidbronnen verder toegelicht voor wat betreft de gebruikte data en rekenmodellen.
3.1.1. Wegverkeerslawaai
Binnen de agglomeratie Eindhoven is voor de verkeersgegevens uitgegaan van de BrabantBrede Modelaanpak (BBMA) van de provincie Noord-Brabant, welke is opgesteld door Goudappel Coffeng. Als basis voor het verkeersmodel is gebruik gemaakt van het BBMA verkeersmodel met als basisjaar 2015 en de toekomstjaren 2030 en 2040. Tussen de jaren 2015 en 2030 is geïnterpoleerd en is het jaar 2019 bepaald, waarmee de berekeningen voor de 4e tranche zijn uitgevoerd. Daarnaast is gebruik gemaakt van aanvullende telgegevens. Alle eventueel aangepaste gegevens zijn gecontroleerd met lokale kennis. In de BBMA staan vooral de drukkere wegen (vanaf ca. 500 motorvoertuigen per etmaal). Kleine woonstraten zijn dus niet gemodelleerd. Er is vanuit gegaan dat deze kleine straten geen geluidbelasting van 55 dB Lden of 50 dB Lnight of meer veroorzaken.
De geluidbelastingen zijn bepaald met behulp van “CNOSSOS”- de nieuwe rekenmethode voor geluidkartering, zoals deze is beschreven in het “Reken- en Meetvoorschrift Geluid 2012”. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd met behulp van het rekenprogramma Geomilieu V2022.2 van DGMR.
De brongegevens van de Rijkswegen, beschikbaar gesteld door Rijkswaterstaat, en van Provinciale wegen, zijn in de Geomilieu verwerkt.
Verkeersintensiteiten
Voor de verkeersintensiteiten is gebruik gemaakt van het meest recente BBMA Verkeersmodel versie S107A met als basisjaar 2015 en toekomstjaren 2030 en 2040. Hiervan is een milieuexport Versie 3.0 gemaakt en deze is in Geomilieu ingelezen.
Voor wat betreft de rijkswegen en provinciale wegen zijn de brongegevens van respectievelijk Rijkswaterstaat en de Provincie overgenomen. Deze gegevens zijn ingevoerd/aangepast in Geomilieu met rekenmodule CNOSSOS.
Verdeling over de periode
Indien gemeenten niet over tellingen beschikten, is de verdeling van voertuigen over de dag-, avond- en nachtperiode uit de BBMA gehanteerd, anders is deze op basis van telling gecontroleerd en bij grote verschillen aangepast op grond van de tellingen. De eventueel aangepaste gegevens zijn gecontroleerd door medewerkers van de gemeenten met lokale verkeerskennis.
Categorie-indeling
In het BBMA Verkeersmodel wordt onderscheid gemaakt tussen personenauto’s, middelzwaar en zwaar vrachtverkeer voor drie verschillende perioden van de dag (ochtend-, avond- en restdag) voor een gemiddelde werkdag. De berekende intensiteiten voor vrachtverkeer zijn overgenomen vanuit het verkeersmodel in het milieumodel. Hier zijn de werkdag intensiteiten omgezet in weekdaggemiddelde intensiteiten en is er onderscheid gemaakt voor de dag- (07.00 – 19.00 uur), avond- (19.00 – 23.00 uur) en nachtperiode (23.00 – 07.00 uur).
Snelheden en verhardingen
De snelheden uit de BBMA zijn gecontroleerd door verkeersmedewerkers van de betreffende gemeenten. Woonstraten met een maximale snelheid van 30 km/u zitten in de BBMA als de verkeersintensiteit groter is dan ongeveer 500 motorvoertuigen per etmaal.
Rijkswaterstaat
Rijkswaterstaat past het Kader Akoestisch Onderzoek Wegverkeer toe. Dat is een uitwerking van het Meet- en rekenvoorschrift. Als maatgevende snelheid voor een wegvak dient per categorie motorvoertuigen de 'representatief te achten gemiddelde snelheid' te worden aangehouden. Voor het modelleren van snelheden, worden de volgende richtlijnen aangehouden voor lichte motorvoertuigen: bij wegen met een maximumsnelheid van 130 en 120 km/u, wordt respectievelijk 121 en 115 km/u toegepast. Bij middelzware en zware voertuigen wordt er respectievelijk 100 en 90 km/u toegepast. Indien de snelheid 100 km/u (dagperiode) bedraagt is voor lichte voertuigen uitgegaan van 100 km/u, middelzware voertuigen 90 km/u en zware voertuigen 85 km/u.
Het blijkt dat bij enkele trajecten in de regio op delen de snelheid is verhoogd van 120 naar 130 km/u of in de dagperiode verlaagd naar 100 km/u . Dit is mogelijk niet verwerkt in de brongegevens die Rijkswaterstaat heeft geleverd. Reden is dat voor deze brongegevens de gegevens van het peiljaar 2019 is gebruikt. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gaan de verkeersintensiteiten van 2019 hanteren voor het peiljaar 2021. Dit in verband met Corona/ Covid- pandemie waardoor in 2020/2021 mogelijk geen representatief beeld geeft voor de verkeersintensiteiten.
Dit is mogelijk op grond van artikel 23 Bgm. In de toelichting staat hierover:
"In bepaalde gevallen zijn gegevens uit het verstreken kalenderjaar niet tijdig beschikbaar om de kaart tijdig te kunnen vaststellen. In dat geval kan worden gewerkt met de meest recente gegevens die beschikbaar zijn (doorgaans de gegevens die betrekking hebben op het jaar vóór het verstreken kalenderjaar), met een extrapolatie naar het kalenderjaar dat fungeert als peiljaar voor de kaart. Ingevolge de richtlijn omgevingslawaai mogen de gegevens echter niet ouder zijn dan drie jaar. "
3.1.2. Railverkeerslawaai
Voor railverkeerslawaai moet ProRail (als spoorwegbeheerder) voor de spoorlijnen die door de agglomeratie lopen, geluidkaarten en tabellen maken.
Voor railverkeerslawaai heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant gebruik gemaakt van de brongegevens beschikbaar gesteld door ProRail voor de 4e tranche met peiljaar 2019. De gegevens met betrekking tot het aantal en type treinen, het type rails, hoogtelijnen en schermen/wallen ten behoeve van de EU-Richtlijn zijn gecontroleerd en waar nodig aangepast of aangevuld. Daarnaast zijn gebouwen en adrespunten toegevoegd.
De modellering heeft plaatsgevonden in Geomilieu en berekeningen zijn uitgevoerd met de CNOSSOS-rekenmethode.
3.1.3. Industrielawaai
Op de kaarten moet de maximaal toelaatbare geluidsbelasting in het jaar 2021 worden opgenomen.
Karteringsmethode
Het Reken- en meetvoorschrift 2012 (Rmg 2012) beschrijft de karteringsmethode. Hoofdstuk 7 is van toepassing bij het opstellen van geluidsbelastingkaarten.
Voor industrielawaai bevat het voorschrift geen specifieke karteringsmethode. Hierop zijn de huidige methoden van toepassing. De Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 wordt toegepast bij:
- - gezoneerde industrieterreinen (artikel 2.3 Rmg 2012)
- - inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen (artikel 1 Activiteitenbesluit)
- - vergunningplichtige inrichtingen (niet wettelijk voorgeschreven, maar wel staande praktijk)
De geluidsbelasting van inrichtingen in concentratiegebieden en individuele inrichtingen is gebaseerd op de geluidsnormen volgens algemene regels, maatwerk- of vergunningsvoorschriften.
De dosismaat van een inrichting of een verzameling van inrichtingen wijkt af van Lden en Lnight. In artikel 7.4 Rmg 2012 staat een eenvoudige conversiemethode. In formulevorm kan het omschreven worden als:
- - Lden (in dB) = Letmaal (in dB(A))
- - Lnight (in dB) = Lden – 10 dB
Daarom zijn de vastgestelde zones van 50 dB(A) (en indien bekend van 55 dB(A)) van gezoneerde industrieterreinen voor 2016 overgenomen (met de veronderstelling Lden = Letmaal indien van toepassing).
Individuele inrichtingen
Individuele inrichtingen komen op de geluidsbelastingkaart als volgens een maatwerk- of een vergunningsvoorschrift een grenswaarde van minimaal 55 dB Lden, of 50 dB Lnight geldt bij een geluidsgevoelig object.
Deze inrichtingen liggen niet op een gezoneerd industrieterrein of in een concentratiegebied. Het kunnen zowel vergunningplichtige inrichtingen zijn als inrichtingen die vallen onder het Activiteitenbesluit.
Voor deze inrichtingen wordt niet altijd een contour bepaald. Wel zijn er beoordelingspunten buiten de inrichting waar de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de inrichting wordt bepaald. Deze handhavingspunten moeten op de geografische kaart worden weergegeven. Is er wel een contour bepaald, dan mag deze worden aangegeven.
Inrichtingen in een concentratiegebied
Dit zijn inrichtingen die liggen in een concentratiegebied voor horeca-inrichtingen of een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven. Voor deze gebieden geldt een gemeentelijke verordening.
Deze inrichtingen komen op de geluidsbelastingkaart als de geluidsbelasting minimaal 55 dB Lden of 50 dB Lnight bedraagt op geluidsgevoelige objecten.
Gezoneerde industrieterreinen
De term verzameling van inrichtingen omvat ook de inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein. Dit is een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder die volgens artikel 40 van de Wet geluidhinder is gezoneerd.
Het gaat om de geluidsbelasting die de inrichtingen gezamenlijk maximaal mogen veroorzaken, op basis van de algemene regels, maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften. De gezamenlijke inrichtingen op het industrieterrein zijn zowel vergunningplichtige inrichtingen als inrichtingen die vallen onder het Activiteitenbesluit.
De gezoneerde industrieterreinen komen op de geluidsbelastingkaart als de geluidsbelasting buiten het industrieterrein is minimaal 55 dB Lden of 50 dB Lnight bedraagt bij geluidsgevoelige objecten.
De geografische kaart geeft de zone rond dat industrieterrein aan. Dit is de juridische grens, bepaald volgens de Wet geluidhinder. De zone wordt dus niet in een Lden-zone omgerekend.
Seizoensbedrijven worden niet anders beoordeeld dan andere bedrijven/inrichtingen die het hele jaar in bedrijf zijn. Horeca, detailhandel en kleine ambacht zijn alleen meegenomen als ze gelegen zijn binnen een als zodanig, door de gemeente, aangewezen (horeca)concentratiegebieden waarbinnen zich inrichtingen bevinden die een geluidniveau van 55 dB(A) of meer mogen produceren op de nabijgelegen woningen.
Ook losse inrichtingen niet gelegen op een gezoneerd industrieterrein, die volgens hun vergunning 55 dB of meer mogen produceren op nabijgelegen woningen zijn opgenomen op de kaarten.
3.1.4. Vliegtuiglawaai
Op de geluidkaarten moet vliegtuiglawaai eigenlijk worden aangegeven in Lden. Voor Eindhoven Airport is deze maat niet beschikbaar, maar is wel de ‘oude’ maat voor geluidbelastingen van militaire luchthavens Ke (Kosten-eenheden) beschikbaar. Eindhoven Airport is een militaire luchthaven met burgermedegebruik. Voor Eindhoven Airport zijn nog geen omzettingsbesluiten beschikbaar gesteld. Voor de kartering is aan IenM toestemming gevraagd om uit te gaan van de Ke-contouren omdat voor militaire vliegvelden geen goede omrekeningsmethode beschikbaar is. (Zie ook paragraaf 2.3.5). Voor de kaarten zijn dan ook, met toestemming van de directie klimaat, lucht en geluid van het ministerie van IenM de vastgestelde Ke-contouren overgenomen op de kaarten. De geluidcontourkaarten voor Eindhoven Airport zijn digitaal door het Ministerie van Defensie aan de ODZOB verstrekt. Het gaat hierbij om de vernieuwde Ke-contouren (geen Lden) zoals vastgesteld in het Luchthavenbesluit van 20 december 2019.
De tabellen voor het luchtverkeer van Eindhoven Airport dienen in de 1e tot en met 4e tranche in de Ke opgesteld worden. Het Ministerie van Defensie geeft geen informatie in Lden van Eindhoven Airport.
Deze gegevens kunnen dan ook niet 1 op 1 gebruikt worden voor de landelijke tabellen. Bij de aan te leveren tabellen is een extra tabblad voor de Ke aantallen ten gevolge van Eindhoven Airport opgenomen.
N.b. De consequentie van de uitspraak RvS met betrekking tot ‘eenheden luchthavens’ (vernietiging besluit baanverlenging luchthaven Eelde, dec. 2003) heeft alleen betrekking op burgerluchthavens.
3.1.5. Scheepvaartlawaai
In het kader van de EU-Richtlijn Omgevingslawaai wordt geen opgave van het aantal woningen belast door scheepvaartlawaai gevraagd.