Voor het vullen van de rekenmodellen voor weg- en railverkeer zijn niet alleen verkeersgegevens (zie paragraaf 3.1), maar ook topografische gegevens nodig. In deze paragraaf worden deze gegevens en hoe deze zijn verkregen, verder toegelicht
3.2.1. Adressen
Om het aantal blootgestelden per geluidklasse vast te stellen, is gebruik gemaakt van een adrespuntenbestand. In het rekenmodel is gebruik gemaakt van de gegevens uit het Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). In de BAG staat van elk adres binnen de gemeente de x, y-coördinaat, straatnaam, huisnummer, postcode etc. De adresgegevens worden ook gebruikt in de RVMK. Daarnaast is gebruik gemaakt van het bestand geluidsgevoelige objecten wat door Rijkswaterstaat en Prorail beschikbaar is gesteld (zie paragraaf 2.3.3). De geluidssituatie bevat de geluidsbelasting in Lden en Lnight op een waarneemhoogte van 4 meter.
3.2.2. Gebouwen
Voor de gebouwen in het rekenmodel is tevens gebruik gemaakt van de gegevens uit het BAG. Voor het modelleren van de geluidhinder is het belangrijk om tevens de hoogte van de gebouwen te kennen. Deze hoogte is vastgesteld op basis van de gegevens vanuit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).
3.2.3. Geluidschermen
Om de geluidbelasting aan gebouwen te verminderen zijn in het verleden op een aantal locaties geluidschermen en/of –wallen aangelegd. De plaats waar deze geluidreducerende voorzieningen voorkomen, zijn aangegeven door de gemeente. Vervolgens is de exacte ligging overgenomen uit de GBKN. De hoogte van de geluidafschermende voorzieningen zijn aangeleverd door de gemeente.
3.2.4. Bodemtypen
Voor het bepalen van de geluidbelasting is het belangrijk om te weten hoeveel vierkante meter hard oppervlak er aanwezig is tussen de weg-as en het ontvangerpunt (gevel). Deze gegevens zijn uit het BGT gehaald.
In het Reken- en meetvoorschrift geluid is sprake van een reflecterende bodem of een absorberende bodem (bodemfactor 0 of 1), waarbij bij industrie soms ook voor gebieden met wisselende bodem een factor 0,5 wordt gehanteerd.
In CNOSSOS is deze verdeling anders dan eerder gehanteerd en in tabel 5 opgenomen :
Tabel 5. Bodemfactoren in CNOSSOS
Te zien is dat er twee bodemtypes E en F zijn met afwijkende bodemfactor. Het onderscheidt tussen compact land en grind of compacte dichte grond is niet goed uit databestanden te halen. Het BGT kent wel het fysiek voorkomen ‘half verhard’ voor een weg, een ondersteunend wegdeel en een onbegroeid terrein. Voor deze gebieden is gekozen voor een bodemfactor 0,3. Dezelfde BGT objecten kennen ook het fysiek voorkomen onverhard. Hiervoor is een factor 0,7 gehanteerd.