Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.6

Toepassen van PFAS-houdende grond

Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen

Landelijk Handelingskader Voor het toepassen van PFAS-houdende grond in de regio Noordzeekanaalgebied wordt aangesloten bij het landelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie [Lit. 25]. Bij het toepassen van grond of baggerspecie en tot het moment waarop PFAS in de regelgeving verankerd is, moet zowel rekening worden gehouden met de regels voor genormeerde stoffen (in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit) als de aanbevelingen van het Handelingskader voor PFAS. De verhouding is als volgt: het Handelingskader vormt een advies over de invulling van de zorgplichten, dat staat naast de bestaande regelgeving voor genormeerde stoffen. Dit betekent dat de toetsingsregels uit de Regeling bodemkwaliteit niet automatisch ook op PFAS van toepassing zijn. Zo wordt bijvoorbeeld de indeling van de bodem, grond of baggerspecie in een kwaliteitsklasse alleen gebaseerd op genormeerde stoffen. Een indeling van een partij grond of baggerspecie in een bepaalde kwaliteitsklasse geeft normaliter duidelijkheid over de toepassingsmogelijkheden. Aanvullend daarop moet de partij op de aanwezigheid van PFAS en daarbij passende toepassingsmogelijkheden worden beoordeeld in het licht van de zorgplichten. Hierop gaat het Handelingskader in. De indeling van de ontvangende bodem in een bodemkwaliteitsklasse wordt bepaald op basis van de kwaliteit van genormeerde stoffen. De toepassingseisen van de stoffen uit het standaard stoffenpakket, aangeduid met een bodemkwaliteitsklasse (landbouw/natuur, wonen of industrie, zie paragraaf 6.5 van dit beleidskader) bepalen ook de toepassingseis van PFAS. Wanneer grond ook op PFAS is onderzocht en de uitkomst is een PFAS-gehalte hoger dan de waarde van 1,4 µg/kg (PFOS of overige PFAS)/1,9 µg/kg (PFOA), moet worden bepaald of toepassing op basis van het PFAS-gehalte én op basis van de genormeerde stoffen nog steeds is toegestaan. Ligt het gehalte aan PFAS lager dan 1,4/1,9 µg/kg dan heeft PFAS geen invloed op de toepasbaarheid van de grond. De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond staan weergegeven in Tabel 6.2. Tabel 6.2Toepassingseisen en kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag (kwaliteitsklassen en PFAS-houdende grond) voor grond en bagger (normen PFAS in µg/kg d.s.) in de gemeente Diemen Reguliere toepassingen Bodemfunctieklasse Landbouw/natuur Wonen Industrie Nadere aanduiding BKK-zone Landbouw, natuur, moestuinen/ volkstuinen Wonen met tuin Kinderspeelplaatsen Groen met natuurwaarden Overige woonfuncties Ander groen, bebouwing (o.a. wonen zonder tuin31Wanneer sprake is van een woonfunctie zonder tuin (vallend onder bebouwing) in BKK-zone 3 mag hier ook grond van klasse industrie worden toegepast als deze grond afkomstig is uit het eigen beheergebied, ook al staat deze functie op de bodemfunctiekaart aangeduid als ‘wonen.’), infrastructuur en industrie 1 Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4 Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4 Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4 Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4 2 Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4 Wonen (lood max 100 mg/kg) PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3 Wonen PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3 Wonen PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3 3 Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4 Wonen (lood max 100 mg/kg) PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3 Wonen PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3 Industrie PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3 Bijzondere toepassingen (ongeacht in welke BKK-zone) Openbare weg, saneringsgebieden en niet gezoneerde gebieden Nader te bepalen Grootschalig toepassen Industrie PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3 Verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel of weilanddepot Toepassingseis: Verspreidbaar Toepassingseis PFAS: PFOS en overige PFAS ≤ 3 PFOA ≤ 7 De reguliere bodemkwaliteitskaart (met de bodemkwaliteitsklassen die daarop gedefinieerd zijn) kan worden gebruikt als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit voor de ontvangende bodem bij het toepassen van grond. Een indeling van de ontvangende bodem in een bodemkwaliteitsklasse wordt bepaald op basis van de genormeerde stoffen, het gehalte aan PFAS kan dit niet beïnvloeden. Een partij grond met een gehalte aan PFOS (of overige PFAS) hoger dan 1,4 en tot maximaal 3 µg/kg of een gehalte aan PFOA hoger dan 1,9 en tot maximaal 7 µg/kg mag worden toegepast binnen een zone met als toepassingseis kwaliteitsklasse wonen of industrie op basis van de genormeerde stoffen. Bodemkwaliteitskaart PFOS/PFOA In februari 2020 heeft de OD NZKG in samenwerking met de gemeenten, waterschappen en de provincie Noord Holland een regionale bodemkwaliteitskaart voor PFOS en PFOA opgesteld, de ACN-kaart (Achtergrondconcentratienorm-kaart). Deze kaart geeft de gemiddelde kwaliteit weer. Van deze kaart is een ontgravingskaart afgeleid (op basis van de 80-percentielwaarde, de P80) met één bodemkwaliteitsklasse, namelijk de klasse ‘Niet ingedeeld-PFOS/PFOA – Vrij Toepasbaar’. De berekende gehalten in zowel de ACN-kaart als de ontgravingskaart liggen onder de 1 µg/kg en voldoen hiermee aan de achtergrondwaarden in het landelijk Handelingskader van 1,4 µg/kg voor PFOS en overige PFAS en 1,9 µg/kg voor PFOA. In de uitvoeringspraktijk wordt dus alleen gebruik gemaakt van de ontgravingskaart, want voor de kwaliteit van de ontvangende bodem wordt, zoals hierboven aangegeven, alleen gebruik gemaakt van de bodemkwaliteitskaart voor de genormeerde stoffen. Aangezien voor de ontgravingskaart identieke bodemkwaliteitszones gelden én de te ontgraven bodemkwaliteit op basis van de P80 (voor beide stoffen en beide lagen) voldoet aan dezelfde bodemkwaliteitsklasse, is toepassing binnen het beheergebied vanuit de op de ontgravingskaart aangeduide percelen mogelijk. De bodemkwaliteitskaart PFOS/PFOA dient binnen de regio Noordzeekanaalgebied als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit bij de ontgraving en toepassing van PFOS/PFOA-houdende grond uit de regio en (gerijpte) baggerspecie binnen de gemeentegrenzen. Altijd vooronderzoek uitvoeren Bij alle gevallen van het toepassen van grond en bagger geldt dat er vooronderzoek moet plaatsvinden, waaruit blijkt of de ontgravingslocatie en de toepassingslocatie daadwerkelijk niet verdacht zijn als bronlocatie. De kaart betreft namelijk een weergave van de algemene diffuse bodemkwaliteit en bevat geen volledige weergave van (potentiële) bronlocaties en daaruit volgend verspreidingsgebied. Van een reële verdenking is in ieder geval sprake indien op een locatie PFAS-houdend blusschuim is gebruikt of gewerkt is met PFAS, dan wel het aannemelijk is dat de locatie door verspreiding van PFAS, anders dan de diffuse verspreiding van PFOS en PFOA, dermate belast is dat dit kan leiden tot een beperking bij het toepassen van de grond of bagger. Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat de te ontgraven grond niet verdacht is op het voorkomen van een PFAS-verontreiniging (er is geen sprake van een bronlocatie) hoeft geen apart bodemonderzoek naar PFAS plaats te vinden als dit voor de genormeerde stoffen ook niet hoeft. Locatiespecifiek onderzoek op PFAS volgens de NEN-normen of een partijkeuring gaan altijd boven de kwaliteit die bepaald is op basis van de bodemkwaliteitskaart, tenzij dit leidt tot bevestiging dat de kwaliteit overeenkomt met de bodemkwaliteitskaart. Uitgesloten gebieden of bronlocaties Voor de uitgesloten (niet gemarkeerde) gebieden op de ontgravingskaart is toepassing op basis van het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit niet zonder meer mogelijk. Hiervoor is veelal aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk. Als dit onderzoek uitwijst dat het gehalte aan PFAS hoger is dan de achtergrondwaarden is toepassing op een ontvangende bodem met de bodemfunctieklasse landbouw/natuur of de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur niet mogelijk. Is sprake van een bronlocatie binnen het op de kaarten gemarkeerde gebied, dan gelden de kaarten niet als representatieve en geldige milieuverklaring bodemkwaliteit en dient lokaal bodemonderzoek naar de specifieke bodemkwaliteit gedaan te worden. De bodemkwaliteitskaart doet geen uitspraak over de bodemkwaliteit van bodemlagen dieper dan 1,0 m-mv. Bij grondverzetwerkzaamheden of toepassingen onder deze diepte is de kaart niet zonder meer als milieuverklaring bodemkwaliteit te gebruiken. Dan zal specifiek bodemonderzoek op locatie aan de orde zijn, behalve wanneer uit vooronderzoek mocht blijken dat de ondergrond niet verontreinigd is of kan zijn. Bodemtypecorrectie Op de gemeten PFAS-waarden hoeft geen bodemtypecorrectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt. Als het gehalte organisch stof ligt tussen 10-30% dient wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd te worden. Als het gehalte organisch stof boven de 30% is aangetoond dient het gehalte organisch stof van 30% gebruikt te worden bij de bodemtypecorrectie.

Rechtspraak bij dit artikel