Het is voor mens en dier uiteraard wenselijk om zo min mogelijk verontreinigende stoffen binnen te krijgen. Maar het is niet mogelijk dit tot nul terug te brengen. In het milieu (lucht, werkomgeving, water, voeding, bodem) zijn nu eenmaal verontreinigingen (ook van nature) aanwezig. Het milieubeleid is erop gericht om die blootstelling zoveel mogelijk te verminderen. In Diemen kiezen we ervoor om risico’s in ieder geval tot een ‘aanvaardbaar niveau’ terug te brengen. Wat aanvaardbaar is heeft enerzijds te maken met mogelijke (gezondheids)gevolgen en anderzijds met de maatschappelijke kosten om deze gevolgen te voorkomen.
Op grond van artikel 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat een omgevingsplan waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw.
De bodem moet hieraan voldoen om een bodemgevoelige locatie toe te laten, zonder dat maatregelen nodig zijn.40Een buitenplanse omgevingsvergunning kan worden aangevraagd als de waarde toelaatbare kwaliteit wordt overschreden en het verantwoord is deze bodemverontreiniging niet (helemaal) te saneren of beschermende maatregelen te treffen. De initiatiefnemer moet dan wel aantonen dat de MTR niet wordt overschreden en er aan de TCL/geurdrempel wordt voldaan (zoals opgenomen in bijlagen Vb en XIIIb van het Bkl). Zie ook paragraaf 4.6 van dit beleidskader. Om te berekenen of er sprake is van een overschrijding van de MTR/TCL moet de risicotoolbox bodem (RTB), module CONCRIT (de opvolger van SANSCRIT met vergelijkbare berekeningsmethodiek en waarden) worden gebruikt.
De toelaatbare kwaliteit bodem wordt overschreden als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de toelaatbare kwaliteit bodem.
Voor de meeste stoffen is deze waarde de interventiewaarde, zoals opgenomen in bijlage IIA van het Bal. Voor lood en PFAS zijn echter afwijkende waarden opgenomen in het omgevingsplan.
De waarden die Diemen in het omgevingsplan heeft opgenomen voor lood en PFAS staan in Tabel 8.1.
Tabel 8.1Waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor bouw van een bodemgevoelig gebouw voor lood en PFAS (ongecorrigeerd voor bodemtype)
Bodemgevoelige gebruiksfunctie
Waarden lood
(in mg/kg ds)
Waarden PFOA en som-waarden PFAS-mengsels (in µg /kg ds)
Waarden overige PFAS (in µg /kg ds)
Ter plaatse van de tuin of buitenruimte:
Woning met tuin
Kinderdagverblijf met buitenruimte
School met buitenruimte
370
60
59
Ter plaatse van het gebouw:
Woning
Kinderdagverblijf
School
Ter plaatse van het gebouw inclusief eventuele buitenruimte:
Overige bodemgevoelige gebouwen, zoals winkel, kantoor
Interventiewaarde conform bijlage IIA van het Bal
60
59
Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.
De grens van 25 m3 geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.
Lood: lagere waarde toelaatbare kwaliteit bodem
Bij de functie wonen met tuin is voor lood gekozen voor een lagere waarde voor toelaatbare kwaliteit bodem dan de interventiewaarde, namelijk 370 mg lood/kg (ongecorrigeerd voor bodemtype), vanwege gezondheidsrisico’s voor jonge kinderen.
Van alle stoffen in de oudstedelijke ophooglaag in de oude kernen van Diemen is lood het grootste probleem. Dat komt met name door het hoge gezondheidsrisico voor kinderen tot 6 jaar. Kinderen krijgen lood binnen bij het spelen op loodhoudende grond via hand-mond gedrag (ingestie). Deze loodbelasting heeft een nadelig effect op het leervermogen en leidt tot verlies aan IQ-punten. Nieuw onderzoek van het RIVM [Lit. 20] heeft aangetoond dat er geen veilige ondergrens voor lood bestaat. Diemen heeft zich daarom als doel gesteld om kinderen zo min mogelijk bloot te stellen aan grond die met lood is verontreinigd.
De meest zinvolle maatregel is het geven van gebruiksadviezen en het saneren van locaties met de gevoeligste bodemfuncties: tuinen van woningen en kinderspeelplaatsen. Met kinderspeelplaatsen worden ook buitenruimten bij kinderdagverblijven en scholen bedoeld. Deze worden tegenwoordig steeds vaker onverhard aangelegd, waardoor er contact kan zijn met de bodem. De Omgevingsdienst NZKG beoordeelt bodemonderzoek bij bouwaanvragen (om te toetsen op de waarde toelaatbare kwaliteit bodem) en saneringsmeldingen op het aspect lood. De GGD geeft doorlopend publieksvoorlichting, met name gericht op ouders van jonge kinderen.
Voor woningen met een grote moestuin (> 200 m2) ligt de grens waarboven humane risico’s kunnen optreden zelfs nog lager dan voor wonen met tuin, namelijk op 260 mg lood/kg (ongecorrigeerd voor bodemtype). Dit is een advieswaarde, die niet als harde eis in het omgevingsplan is vastgelegd. Het is namelijk niet op voorhand duidelijk hoe de tuin zal worden ingericht als er een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt gedaan.
Diemen hanteert een toelaatbare kwaliteit bodem van 370 mg lood/kg (absoluut gehalte, niet gecorrigeerd voor lutum en organisch stof) ter plaatse van de tuin of buitenruimte bij het bouwen van de volgende bodemgevoelige gebouwen:
woning met tuin
kinderdagverblijf met buitenruimte
school met buitenruimte
Toetsen waarde toelaatbare kwaliteit
In Tabel 8.2 is schematisch weergegeven hoe bij verschillende bouwactiviteiten moet worden getoetst op de vastgestelde toelaatbare bodemkwaliteit voor lood en overige stoffen (met wijze van aanpak). De derde kolom bevat de waarden toelaatbare kwaliteit voor diffuus lood uit Tabel 8.1 (370 mg/kg ds voor wonen met tuin).
Voor andere immobiele stoffen dan lood (bijvoorbeeld zink, koper en PAK) is zulke speciale aandacht niet nodig, omdat gezondheidsrisico’s voor jonge kinderen niet of nauwelijks aan de orde zijn.
Bij een bodemgevoelige gebruiksfunctie waar geen contact met de bodem door jonge kinderen voor de hand ligt, zoals winkels of kantoren met eventuele buitenruimte of tuin, wordt de interventiewaarde aangehouden conform de bruidsschat.
Tabel 8.2Toetsen humaan risico van lood, PFAS en overige stoffen bij nieuwbouw van een bodemgevoelig gebouw (incl. tuin) of nieuwbouw van een bij een bestaand gebouw behorend bouwwerk (> 50 m2), met bijbehorende maatregelen. De genoemde waarden zijn absolute (gemeten) gehalten, zonder bodemtypecorrectie.
Stof
Situatie
Humaan risico toetsen volgens
Sanerende of beschermende maatregelen
Kwaliteitseis afdeklaag
(zie Tabel 6.1)
Volgens omgevingsplan
Lood
Nieuwbouw bodemgevoelig gebouw, inclusief tuin
Omgevingsplan (>370 mg/kg)
Afdeklaag of verwijderen
Landbouw/natuur of max 100 mg/kg aan lood (2x landbouw/natuur)
Sanering verplicht
Bijbehorend bouwwerk1) bij bestaand gebouw > 50 m2)
PFAS
Nieuwbouw bodemgevoelig gebouw, inclusief tuin
Omgevingsplan
(>60 µg/kg PFOA, >59 µg/kg overige PFAS)
Afdeklaag of verwijderen
Landbouw/natuur of afhankelijk van zone BKK
Sanering verplicht
bijbehorend bouwwerk1) bij bestaand gebouw >50 m2)
Overige stoffen
Nieuwbouw bodemgevoelig gebouw, inclusief tuin
Interventiewaarde
Afdeklaag of verwijderen
Landbouw/natuur of afhankelijk van zone BKK
Sanering verplicht bij overschrijding Interventiewaarde
bijbehorend bouwwerk1) bij bestaand gebouw >50 m2)
1) Als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
Waarde toelaatbare kwaliteit bodem voor PFAS-houdende grond
Niet genormeerde stoffen zijn niet opgenomen in het Bkl. Maar ook bij niet genormeerde stoffen in de bodem kan sprake zijn van mogelijke gezondheidsrisico’s. De schadelijkheid en aanwezigheid van PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) is de laatste jaren uitdrukkelijk naar voren gekomen. Van de groep poly- en perfluoralkylstoffen (verder: PFAS) is bekend dat deze in veel gebieden in de bodem voorkomen, met name de stoffen PFOS en PFOA.
Voor stoffen uit de PFAS-groep zijn vooralsnog geen interventiewaarden afgeleid. Voor PFOS en PFOA kan gebruik worden gemaakt van de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV's). INEV's worden op dezelfde manier vastgesteld als interventiewaarden. Het humane beschermingsniveau ter onderbouwing van de interventiewaarden en INEV's is gebaseerd op de bodemfunctie 'wonen met tuin'. Het humane beschermingsniveau komt overeen met het maximaal toelaatbaar risico (het MTR).
INEV's zijn gebaseerd op het niveau van de meest kritische risicogrens. Op basis van de meest recente inzichten blijkt dat voor PFOS en PFOA de humane risicogrenzen bepalend zijn (RIVM, 20 juli 2021, gebaseerd op de gezondheids¬kundige grenswaarden van EFSA, [Lit. 22 en 23]). In de ‘Verzamelbrief bodem en ondergrond’ van 2 mei 2022 bevestigt de staatssecretaris voor infrastructuur en waterstaat dat de humane risicogrenzen uit het rapport van het RIVM van juli 2021 als INEV’s gebruikt kunnen worden. Deze vervangen eerdere INEV’s uit 2020 (die waren gebaseerd op ecologische risicogrenzen, die toen bepalend leken te zijn).
De humane risicogrens of het MTR voor PFOS is vastgesteld op 59 µg/kg d.s. en voor PFOA op 60 µg/kg d.s. Deze MTR-waarden vormen de absolute ongecorrigeerde waarden41In de RIVM-memo Achtergrondwaarden en risicogrenzen ten behoeve van onderbouwing Maximale Waarden PFAS voor toepassen van grond en baggerspecie (20 juli 2021, [Lit. 22]) staat ten aanzien van een correctie voor het organisch stofgehalte van de bodem het volgende: Het voorkomen van PFOS en PFOA in de landbodem kon in het achtergrondwaardenonderzoek niet eenduidig worden gerelateerd aan het organisch stofgehalte (Wintersen et al., 2020b). Een literatuurreview laat zien dat naast organisch stof ook andere parameters, zoals pH en de mate van waterverzadiging, van belang zijn voor sorptie en beschikbaarheid (Negash, 2020). Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat een correctie voor organisch stof niet onderbouwd kan worden op basis van studies naar het voorkomen of gedrag van PFAS. Aanbevolen wordt om geen bodemtypecorrectie op PFAS toe te passen. voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor alle (bodemgevoelige) gebruiksfuncties ter plaatse van de tuin of buitenruimte. Voor overige PFAS geldt de waarde van PFOS. Deze toelaatbare waarden zijn veel hoger dan de regionaal vastgestelde achtergrondwaarden van PFOS en PFOA in de bodem. Als op een locatie of in een gebied concentraties worden aangetoond die de toelaatbare waarden overschrijden is zeer waarschijnlijk sprake van een bronlocatie (in plaats van een diffuse verontreiniging), waarvoor moet worden onderzocht of sanering nodig is.
Hoofdstuk 8
Artikel 8.3
Waarde toelaatbare kwaliteit bodem
Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen