1.. De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen die niet genoemd worden in het derde en vierde lid van dit artikel bedraagt de hoogte van de bijdrage van een of meer voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 derde lid en artikel 2.1.4.a vierde lid Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde of de gehuwde cliënt samen.

2.. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd indien het inkomen van de inwoner niet hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onder c, van de Participatiewet (deze uitzondering is niet van toepassing op ‘Wonen/ Verblijf’);

3.. De hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor vervoer is per rit gelijk aan het in de regio voor het reguliere openbaar vervoer geldende basistarief plus het kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal gereisde kilometers.

4.. De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang worden vastgesteld conform het uitvoeringsbesluit.

5.. De hoogte van de bijdrage voor een hulpmiddel, woningaanpassing, de in lid 3 genoemde maatwerkvoorziening voor vervoer overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

6.. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt.

7.. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

8.. In afwijking van de bepalingen in dit artikel kan een cliënt op grond van hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit geen bijdrage verschuldigd zijn.