Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5

Artikel 18

Hulp bij huishouden

Onderdeel van Beleidsregels Wmo gemeente Smallingerland 2024

De gemeente Smallingerland hanteert het HHM Normenkader 2019. Om te bepalen of Hulp bij Huishouden voor de cliënt toegankelijk en passend is worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader (artikel 6), de volgende aspecten getoetst en/of gewogen: De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk: De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden, met inbegrip van het bevorderen en in stand houden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Huishoudelijke ondersteuning is er als aanvulling op de eigen mogelijkheden. De eigen verantwoordelijkheid van de leefeenheid houdt ook in dat het huis zodanig is ingericht dat dit in redelijkheid schoongehouden kan worden. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door de cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. stimuleren en motiveren: Het principe ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’ staat centraal. Dit betekent dat daar waar mogelijk gestimuleerd wordt dat de cliënt zelf huishoudelijke taken uit blijft voeren, of weer uit gaat voeren. Wanneer er middels onderzoek geconstateerd wordt dat er voor de aanwezige beperking(en) nog behandelmogelijkheden zijn, wordt er in eerste instantie geen huishoudelijke ondersteuning toegekend. Met name als blijkt dat huishoudelijke ondersteuning anti-revaliderend kan werken. Wel kan huishoudelijke ondersteuning naast een te volgen behandeling of revalidatie worden toegekend. Hierover is (met toestemming van de cliënt) afstemming met de behandelaar nodig. Dit indicatie(advies) heeft dan in eerste instantie een korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het behandel- en/of revalidatietraject. aard van de beperking: de cliënt dient een (fysieke) beperking te hebben, waardoor de cliënt niet in staat is zelf bepaalde schoonmaakwerkzaamheden in huis te verrichten. gebruikelijke ondersteuning: indien er andere personen binnen de eigen leefeenheid zijn die de benodigde schoonmaakwerkzaamheden in huis kunnen verrichten, komt de cliënt niet in aanmerking voor Hulp bij Huishouden. Alleen bij langdurige fysieke afwezigheid van de andere personen binnen de eigen leefeenheid van, tenminste 7 etmalen aaneengesloten, is er niet of in mindere mate sprake van de inzetbaarheid van gebruikelijke hulp. Bij het bepalen wat gebruikelijke ondersteuning is in de situatie van de cliënt, worden de uitgangspunten in het algemeen toetsings- en afwegingskader (artikel 6, lid 6) en de mogelijke bijdrage van kinderen meegewogen. De bijdrage die van kinderen in het schoonhouden van het huis wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd en psychosociaal functioneren (conform CIZ MO protocol Richtlijn indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden, 2011): Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen van 5 t/m 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen van 13 t/m 17 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Van een meerderjarige gezonde huisgenoot (18 t/m 22 jaar) wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Iemand van die leeftijd wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn: schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Eventuele verzorging en begeleiding van jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Huisgenoten van 23 jaar en ouder kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen wanneer de cliënt uitvalt. Bij een aantal bijzondere typen leefsituaties wordt anders omgegaan met het toepassen van gebruikelijke hulp: Zelfstandig samen wonen op één adres en gemeenschappelijke ruimten delen1Denk aan woongroepen en kamerverhuur : Er is hier geen sprake van een leefeenheid. Het schoonmaken van de eigen woonruimte(n) en slechts een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten worden meegerekend. Tenzij dit geregeld is binnen de service kosten van de huurovereenkomst. Leef- en woongemeenschappen: Er is wel sprake van een leefeenheid maar er is over het algemeen sprake van een taakverdeling. De cliënt kan hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer en een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimten die vallen binnen het niveau van de sociale woningbouw. gemiddelde cliëntsituatie: Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde situatie wordt verstaan: Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak; De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. individuele situaties: Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. De aanwezigheid van deze kenmerken leidt niet automatisch tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. Kenmerken cliënt: Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee. Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken: Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed, bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus. Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan. Kenmerken huishouden: Samenstelling van het huishouden: Dit wordt grotendeels bepaald door de regels voor gebruikelijke hulp op basis van de samenstelling van het huishouden. Bij een kind kan er sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) waardoor er extra inzet van ondersteuning nodig is. Huisdieren: Het uitgangspunt is dat de gevolgen van huisdieren op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt behoort. Kenmerken woning: Inrichting van de woning: Een extreem bewerkelijke inrichting van de woning zorgt niet voor toekenning van extra ondersteuning. Het gaat in dit geval om de uitzonderlijke situaties waarin deze inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. De cliënt wordt geacht zelf bij te dragen aan het efficiënt kunnen uitvoeren van de huishoudelijke ondersteuning. De inrichting van de woning is namelijk een keuze waar de cliënt invloed op kan uitoefenen. Bewerkelijkheid van de woning: Extra inzet kan nodig zijn door bouwkundige en externe factoren van de woning. Bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. Tuinonderhoud: Tuinonderhoud wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB 22-02-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:885). Huishoudelijke ondersteuning beperkt zich tot de binnenzijde van de woning. Omvang van de woning: Een grote woning kan, maar hoeft niet per sé meer inzet te vragen. De extra ruimtes of oppervlakte kunnen eenvoudig schoon te houden zijn en maar weinig extra ondersteuning vragen, of zijn niet altijd in (dagelijks) gebruik. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd. De taken waarbij de cliënt ondersteuning nodig heeft: Hiervoor worden de 6 resultaten uit het Normenkader Huishoudelijke Hulp gebruikt, waarbij uitgegaan wordt van een gemiddelde cliëntsituatie. In het normenkader wordt per onderdeel de frequentie en/of de benodigde tijd genoemd dat toegekend kan worden. Om de totale omvang van de ondersteuning te bepaling wordt de benodigde ondersteuningstijd van verschillende resultaten vastgesteld. Deze resultaten zijn: Schoon en leefbaar huis; Wasverzorging; Boodschappen; Maaltijden; Kindzorg; Regie/organisatie. De normering bij de resultaten betreft een omschreven gemiddelde situatie, bij een volledige overname door een professional, en wordt beschouwd als een richtlijn. De uiteindelijke omvang wordt altijd op maat vastgesteld door te kijken: Wat de cliënt op eigen kracht, met (boven) gebruikelijke ondersteuning, mantelzorg, vrijwilligers of andere voorzieningen kan oplossen (minder inzet/lagere omvang). Of er noodzaak is meer tijd in te zetten voor de uit te voeren activiteiten op grond van bijzondere omstandigheden (meer inzet/hogere omvang). De normtijden zijn omgerekend naar normtijden per week. Dat betekent dat ook voor activiteiten die bijvoorbeeld één keer in de 6 weken worden gedaan, dit omgerekend is naar een tijd per week. De professionele hulp verdeelt, in overleg met de cliënt, zelf de uit te voeren werkzaamheden en beschikbaar gestelde tijd over de weken heen, zodat uiteindelijk alle activiteiten ten behoeve van het vastgestelde resultaat worden uitgevoerd. In het normenkader is naast de directe tijd ook de benodigde indirecte tijd meegenomen. Met het normenkader kan een verantwoord niveau van een schoon, opgeruimd en georganiseerd huishouden worden gerealiseerd. Persoonlijke opvattingen van cliënten of professionals over de duur of frequentie van de activiteiten kunnen anders zijn, maar zijn niet van invloed op de vast te stellen omvang van de benodigde ondersteuning. Het normenkader is dan leidend, omdat deze op basis van onderzoek met vele cliënten en professionals tot stand is gekomen. Schoon en leefbaar huis: Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. De cliënt moet gebruik kunnen maken van de woonkamer, eigen slaapvertrek, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het schoonhouden van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon ect.) maken geen onderdeel uit van Hulp bij Huishouden. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van cliënten worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Toelichting op ‘enige’ of ‘veel’ extra ondersteuning Enige extra inzet is nodig als duidelijk iedere week extra goed moet worden schoongemaakt of er door de aandoening/beperking van de cliënt duidelijk vaker bepaalde schoonmaakwerkzaamheden moeten worden gedaan. Dit gebeurt dan in de praktijk tijdens het 1x per week schoonmaken. Als veel extra inzet nodig is, is vaak sprake van de noodzaak van 2 schoonmaakmomenten per week. Deze extra inzet gebeurt op basis van de specifieke situatie van de cliënt en vaak ook in afstemming met de schoonmakende partij. Toelichting op slaapkamer (ruimte) wel/niet in gebruik Extra kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt, worden schoongemaakt: Als de extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is wordt deze schoongemaakt en is hier 18 minuten per week voor beschikbaar. De slaapkamer van een kind wordt, afhankelijk van de leeftijd, door het kind zelf schoongemaakt (zie hiervoor ook lid 4: Gebruikelijke hulp). Voor de andere extra kamers is er 5 minuten per week inzet van huishoudelijke ondersteuning mogelijk. Dat is onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. wasverzorging: Als een persoon een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van linnen/beddengoed en kleding kan er een aanvraag gedaan worden voor ondersteuning op dit vlak. Het doel van de inzet van deze ondersteuning is te kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding evenals schoon en gedroogd textiel (handdoeken en beddengoed). De ondersteuning bestaat uit het machinaal wassen, laten drogen en opvouwen van linnen/beddengoed en kleding. Het strijken van kleding wordt alleen gedaan bij een medische noodzaak en betreft alleen bovenkleding en alleen het aantal stuks dat redelijkerwijs verwacht mag worden en maatschappelijk aanvaardbaar is. Verwacht wordt dat de cliënt beschikt over een wasmachine, als deze er niet is valt de aanschaf hiervan onder de verantwoordelijkheid van de aanvrager. Daarnaast wordt er van de aanvrager verwacht dat de reikwijdte van de werkzaamheden tot een minimum worden beperkt, bijvoorbeeld door de aanschaf van een droger of strijkvrije kleding. Ook het ontstaan van extra zware was dient zo veel mogelijk beperkt te worden, door bijvoorbeeld het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten. Ook wordt er met de aanvrager gekeken welke algemene voorzieningen (bijvoorbeeld een was/strijk dienst) in de regio aanwezig zijn of dat er taken overgenomen kunnen worden door het netwerk. De cliënt dient met de aanbieder te bespreken hoe de wasverzorging op de meest effectieve manier ingezet kunnen worden en welke werkzaamheden de klant eventueel zelf nog kan doen (voorsorteren, vouwen o.i.d.) boodschappen: In eerste instantie wordt deze activiteit niet toegekend, omdat hiervoor gebruik kan worden gemaakt van een boodschappendienst. Aan een boodschappendienst kunnen kosten verbonden zijn. Wanneer dit wel wordt toegekend, heeft dit betrekking op boodschappen die nodig zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Er wordt geen rekening gehouden met eigen voorkeuren van de cliënt (bv. voor speciaal voedsel dat beperkt verkrijgbaar is zodat extra gereisd moet worden). Er wordt alleen rekening gehouden met extra inspanningen die geleverd moeten worden vanwege aantoonbare medische redenen. maaltijden: Het gaat om het klaarzetten van de broodmaaltijd(en) en het opwarmen van de warme maaltijd. Bij hoge uitzondering kan sprake zijn van het bereiden van de warme maaltijd. Voor het toekennen van hulp bij de maaltijden wordt onderstaande figuur van Schulinck gebruikt, waarin schematisch is weergegeven wanneer hulp bij de maaltijden onder welke wet valt. Uitgangspunt is dat indien nodig er één keer per dag een broodmaaltijd wordt bereid en klaargezet, en één keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. Tijdens een gesprek met de aanvrager worden andere oplossingen doorgenomen en besproken en er wordt gekeken of er mogelijk ondersteuning geboden kan worden via zijn/haar zorgverzekering. Indien een persoon niet (meer) in staat is zelf of met hulp van de omgeving maaltijden te verzorgen en algemene voorzieningen niet of onvoldoende tot de noodzakelijke oplossing leiden, kan ondersteuning door de gemeente worden bezien. Ondersteuning bij maaltijden kan onder de Zvw vallen als: een cliënt niet in staat is zelfstandig te eten en te drinken (in zijn mond doen); maaltijdondersteuning medisch noodzakelijk is (bijv. bijvoeding); toezicht tijdens het eten noodzakelijk is om acuut letsel te voorkomen (bijvoorbeeld verstikkingsgevaar). In dat geval is er ook geen ondersteuning vanuit de wet nodig. Figuur 1: Schulinck, Wolters Kluwer Komt een algemeen gebruikelijke voorziening niet tegemoet aan de eisen die aan de maaltijd worden gesteld (bv. bij een dieet dat voorgeschreven is door een arts) of diëtiste dan kan de warme maaltijd wel toegekend worden. Als er jonge kinderen woonachtig zijn in het huishouden, kan het bereiden van de warme maaltijd toegekend worden. kindzorg: Het gaat om verzorging van gezonde minderjarige kinderen die tot het gezin behoren. Ouders2Met ouders worden ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. zijn zelf verantwoordelijk voor de zorg voor kinderen. Uitgangspunt is dat de andere ouder bij uitval de zorg of zijn/haar aandeel in de zorg waar mogelijk overneemt. Op grond van gebruikelijke zorg hoeft de gemeente dit niet te compenseren met een maatwerkvoorziening. Zijn ouders hier niet volledig toe in staat, dan kan de gemeente tijdelijke ondersteuning bieden (niet: volledige overname) totdat een andere oplossing gevonden is. De maximale duur van de indicatie betreft drie maanden, van ouders wordt verwacht dat ze zo snel mogelijk in een definitieve oplossing voorzien. Ook wordt onderzocht of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via de Zvw. Het gaat om dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen in geval van ontwrichting of calamiteiten. De zorg voor kinderen omvat het wassen, douchen, aankleden, verschonen van luiers en het voeden van baby's. Het passen op kinderen valt niet onder deze maatwerkvoorziening. Hierbij wordt altijd uitgegaan van het waar mogelijk combineren van activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit plaatsvindt voor meerdere personen en dit te combineren valt (bv. maaltijd bereiden, kinderen naar bed of school brengen), het aantal minuten eenmaal telt en niet per persoon. Vanuit de wet is het niet mogelijk om structurele opvang voor de kinderen te realiseren, ouders worden geacht om zelf de mogelijkheden rondom kinderopvang of mogelijk ondersteuning vanuit de Jeugdwet te onderzoeken. Tijdens het gesprek met de cliënt worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Als er algemene, collectieve of voorliggende voorzieningen zijn die tot een oplossing kunnen leiden wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. regie/organisatie: Dit gaat om de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden waarbij de cliënt niet (of onvoldoende) zelf de regie voert en er geen sociaal netwerk aanwezig is dat op adequate wijze regie kan voeren. Met adequaat wordt hier bedoeld dat de huishoudelijke ondersteuning voldoende aangestuurd wordt om de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten. De cliënt is niet in staat om aan te geven wat er moet gebeuren door de aanwezige beperking. Er kan dan dagelijkse organisatie van het huishouden ingezet worden. Hierbij gaat het om de organisatie van huishoudelijke activiteiten (bijvoorbeeld bepalen wat wanneer moet gebeuren) en het plannen en beheren van middelen (bijvoorbeeld zorgen dat schoonmaakmiddelen op voorraad zijn). Wanneer er sprake is van regie, dan wordt er gekeken of er extra tijd nodig is. Dit hoeft niet te leiden tot de inzet van een hoger gekwalificeerde medewerker voor huishoudelijke hulp. Hierbij wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen de HH1 en HH2 producten. Advies, instructie en voorlichting Het gaat hier om het aanleren van activiteiten in relatie tot het huishouden, bij ontregelde huishouding in verband met bijvoorbeeld psychische stoornissen: Deze activiteit wordt alleen ingezet als iemand leerbaar wordt geacht; Deze ondersteuning wordt maximaal 3 keer per week, in beginsel 6 weken lang ingezet; Het gaat hier nadrukkelijk om huishoudelijke ondersteuning, niet om individuele begeleiding. algemeen gebruikelijke voorzieningen: Technische hulpmiddelen zoals een wasmachine, droogtrommel, vaatwasser of stofzuiger zijn algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een oplossing kunnen bieden voor het probleem, dan gaat de aanschaf van deze hulpmiddelen in beginsel voor het verstrekken van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. ramen buitenkant wassen: Het aan de buitenkant wassen van ramen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB, 29-03-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1302). Voor het aan de buitenkant wassen van de ramen is een adequaat alternatief beschikbaar in de vorm van een glazenwasser. Gezien de lage frequentie van het ramenwassen aan de buitenkant, in combinatie met de beperkte kosten voor het inzetten van een glazenwasser, geeft de CRvB aan dat deze kosten ook door cliënten met een minimuminkomen gedragen kunnen worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel