Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 6

Algemeen toetsings- en afwegingskader

Onderdeel van Beleidsregels Wmo gemeente Smallingerland 2024

Om te bepalen of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening voor de cliënt toegankelijk en passend is, worden de onderstaande aspecten in de weergegeven volgorde getoetst en/of gewogen. Per aspect staat aangegeven op grond van welke wettelijke bepaling of bepaling uit de gemeentelijke verordening dit gebeurt. verantwoordelijke gemeente: Om te bepalen welke gemeente verantwoordelijk is voor het bieden van de ondersteuning wordt nagegaan waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Een maatwerkvoorziening wordt verstrekt aan de cliënt die zijn hoofdverblijf in de gemeente Smallingerland heeft, of aan de cliënt die ingezetene is van de gemeente. (Artikel 5.6 sub i van de verordening) de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt: Bij het bepalen van de behoefte van de cliënt gaat het college na wat de beperkingen en problemen zijn en wat de hulpvraag precies is. Daarbij wordt ook naar de wensen van de cliënt gekeken en in hoeverre daaraan binnen de grenzen van de wet en de gemeentelijke verordening tegemoet gekomen kan worden. Om de persoonskenmerken van de cliënt in het onderzoek te betrekken, kijkt het college naar het totaalbeeld van de persoon. (Artikel 3.2 van de verordening) aard van de beperking of problematiek: De cliënt heeft: een fysieke beperking die (medisch) geobjectiveerd is vastgesteld en heeft als gevolg daarvan verlies van zelfredzaamheid en participatiemogelijkheden, of; problemen bij het zich handhaven in de samenleving vanwege psychische, cognitief of psychosociale problemen, of; al dan niet gedwongen de thuissituatie verlaten. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid van de cliënt kan gebruik worden gemaakt van Positieve Gezondheid. Positieve Gezondheid is een bredere kijk op gezondheid, uitgewerkt in zes dimensies. Die bredere benadering draagt bij aan het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. Én om zo veel mogelijk eigen regie te voeren. (Artikelen 1.1.1 – maatschappelijke ondersteuning, 1.2.1-a en 2.3.5-3 van de wet) aanvaardbaar niveau van het gewenste resultaat (goed genoeg): om het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving van de cliënt te bepalen, wordt het volgende gewogen en opgenomen in het Ondersteuningsplan: Welk niveau past bij de huidige situatie en mogelijkheden van de cliënt. Welk niveau staat in redelijke verhouding met de situatie van de cliënt voordat er sprake was van een beperking of problematiek. Welk niveau staat in redelijke verhouding tot dat van personen in vergelijkbare omstandigheden en dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen of problematiek hebben. Welk niveau is minimaal noodzakelijk in het licht van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving. Binnen welke aanvaardbare termijn het gewenste resultaat behaalt dient te zijn. (Artikel 5.4 van de verordening) eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossende vermogen (capaciteit), tijd van de cliënt en/of de leefeenheid van de cliënt (gebruikelijke ondersteuning) om zelf of met personen uit het sociaal netwerk van de cliënt (mantelzorg) de beperking in zelfredzaamheid en participatie of problemen bij het zich handhaven in de samenleving op te lossen. (Artikel 1.10 van de verordening) gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Personen binnen de leefeenheid van een cliënt zijn altijd zelf primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en de participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving van de leden van die leefeenheid. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de leefeenheid deze hulp zelf uitvoert. De gebruikelijke hulp kan door de cliënt ook aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden. Voor gebruikelijke hulp wordt geen (aanvullende) ondersteuning geboden vanuit de wet. Bij uitval van een persoon wordt door andere personen binnen de leefeenheid, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, zorggedragen voor een herverdeling en overname van de (huishoudelijke) taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten. De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke ondersteuning worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen: De aard van de benodigde ondersteuning. De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning. De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning. De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is. Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat personen binnen de leefeenheid niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege: (langdurige) fysieke afwezigheid; een beperking of een beperkte leerbaarheid; (dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. (Artikel 1.1.1 – gebruikelijke hulp, van de wet en artikel 3.2-c van de verordening) mantelzorg: de mate waarin personen uit het sociaal netwerk van de cliënt bereid en in staat zijn om mantelzorg te bieden en de mate waarin de mantelzorgers hierbij ondersteuning nodig hebben om (dreigende) overbelasting tegen te gaan. Dit wordt bepaald door de totale belasting (gebruikelijke hulp, mantelzorg, werk en persoonlijke omstandigheden) van de mantelzorgers. Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die niet afdwingbaar is door de overheid. Er mag niet een bijdrage van mantelzorgers worden verlangd die ten koste gaat van (het zoeken naar) werk, inkomen of welzijn. (Artikel 1.1.1 – mantelzorg, van de wet) vrijwilligers(werk): de mate waarin de cliënt met de ondersteuning van vrijwilligers of het zelf verrichten van vrijwilligerswerk het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving kan bereiken of behouden. (Artikel 1.1.1 – maatschappelijke ondersteuning en 2.2.2 van de wet) andere en algemene voorzieningen: de mogelijkheden voor de cliënt om gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en/of voorzieningen vanuit andere wetgeving zoals kinderopvang, ziektekostenverzekering, de Zvw, de Wlz, de Werknemersverzekeringen en arbeidsvoorzieningen voor aangepast werk of dagbesteding vanuit de Zvw, Wlz, WIA, Wajong of Participatiewet, wet forensische zorg, leerlingenvervoer. Deze opsomming is niet limitatief. Bij het bepalen of een noodzakelijke voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening betreft, worden de volgende aspecten gewogen: Is de voorziening niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking. Is de voorziening voor de cliënt daadwerkelijk beschikbaar. Levert de voorziening een passende bijdrage aan het gewenste resultaat. Kan de voorziening financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau (te kunnen sparen in 36 maanden en 5% van de bijstandsnorm). Is er sprake van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf van een voorziening, die zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt (calamiteitenprincipe). Dreigt de cliënt door deze én andere (plotselinge optredende) kosten, die verband houden met zijn beperking, onder het in zijn situatie geldende bijstandsniveau te raken. (Artikel 1.1.1 – algemene voorziening en artikel 1.2 en 1.3 van de verordening) eerdere verstrekking maatwerkvoorziening: de mate waarin de aspecten uit lid 2 tot en met lid 9 gewijzigd zijn ten opzichte van de eerder verstrekte maatwerkvoorziening. (Artikel 16.3 van de verordening) deskundig oordeel en advies: Er kan een specifiek aanvullend deskundig oordeel of advies ingewonnen worden om te kunnen vaststellen: Wat de aard en oorzaak van de beperking of problematiek is. Wat de (on)mogelijkheden van de cliënt/leefeenheid zijn in relatie tot de aard van de beperking of problematiek. Wat de noodzakelijke en/of passende ondersteuning is in relatie tot de aard van de beperking of problematiek. (Artikel 3.6 van de verordening) stimuleren en motiveren: Het principe ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’ staat centraal. Dit betekent dat daar waar mogelijk gestimuleerd wordt dat de cliënt zelf taken uit blijft voeren, of weer uit gaat voeren. Om te bepalen welke vorm van ondersteuning voor de cliënt toegankelijk en passend is, worden, naast de toetsing en weging van lid 1 t/m 11 in dit artikel en het toetsings- en afwegingskader van de specifieke maatwerkvoorziening, de volgende uitgangspunten gehanteerd: Ondersteuning vanuit het eigen sociaal netwerk of met inzet van vrijwilligers waar mogelijk, professionele ondersteuning alleen indien noodzakelijk. Ondersteuning in de vorm van hulpmiddelen om zelf het huishouden te kunnen blijven voeren waar mogelijk, ondersteuning waarbij het huishouden (deels) overgenomen wordt alleen indien noodzakelijk. Een lichte vorm van ondersteuning waar mogelijk, een zwaardere vorm van ondersteuning alleen indien noodzakelijk. Kortdurende ondersteuning waar mogelijk, langdurig ondersteuning alleen indien noodzakelijk. Ondersteuning ten behoeve van het zelfstandig (kunnen blijven) wonen waar mogelijk, ondersteuning in de vorm van Beschermd Wonen of Opvang alleen indien noodzakelijk. Ondersteuning dichtbij het eigen sociaal netwerk waar mogelijk, ondersteuning op afstand van het sociaal netwerk alleen indien noodzakelijk. Ondersteuning middels een groepsaanbod waar mogelijk, individuele ondersteuning alleen indien noodzakelijk. (Artikel 5.2 en 5.3 van de verordening) goedkoopst adequate voorziening: de mate waarin de voorziening voor de cliënt duurzaam bijdraagt aan het behalen van het resultaat. Er dient geen sprake te zijn van een anti-revaliderende werking ofwel er is geen sprake van het versterken of creëren van beperkingen als gevolg van de verstrekking van voorziening. Zijn meer mogelijkheden adequaat, dan wordt gekozen voor de, naar objectieve maatstaven, goedkoopste voorziening (vanuit de Wmo of andere wetten binnen het Sociaal Domein). Hierbij wordt ook rekening gehouden met de gebruiksduur en intensiteit van het gebruik. Voorzieningen die (op termijn) kostenverhogend werken, zonder dat zij de voorziening passender maken, komen niet voor toekenning in aanmerking. (Artikel 5.4 van de verordening) maatwerkvoorziening: Om te bepalen of een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening worden lid 1 t/m 13 van dit artikel en het specifieke afwegingskader van de betreffende maatwerkvoorzieningen gehanteerd. Een maatwerkvoorziening (ZIN of Pgb) is pas aan de orde als na onderzoek blijkt dat de cliënt niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met andere voorzieningen, vrijwilligers en/of algemene voorzieningen voldoende in staat is om het aanvaarbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving te bereiken of te behouden. Indien een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt, mede op basis van het gestelde in de artikelen 10, 12 en 13, een keuze gemaakt voor ZIN of Pgb. (Artikel 5 van de verordening) TOELICHTING OP AANVAARDBAAR NIVEAU Het streven is om de cliënt op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Het is van belang om te weten in welke situatie de cliënt verkeerde voordat hij getroffen werd door zijn beperkingen. Of een vergelijking te maken met de situatie van personen die geen beperkingen hebben in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie verkeren. In bepaalde gevallen mag van een persoon worden gevraagd/verwacht dat hij zich er bij neer legt dat er belemmeringen zijn en dat iemand zich enige beperkingen zal moeten getroosten. De compensatie beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en participatie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel