Om te bepalen of en welke vorm van vervoer bij dagbesteding voor de cliënt toegankelijk en passend is, worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader (artikel 6) en het wegingskader over de maatwerkvoorziening Vervoer (artikel 24), de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
aard van de beperking: De cliënt is niet (geheel) in staat om zelfstandig of met behulp van de eigen leefomgeving de locatie van de ondersteuning te bereiken.
vervoer bij dagbesteding: wanneer een cliënt voor de ondersteuning zich niet op eigen kracht naar de locatie kan begeven waar de ondersteuning wordt geleverd, is de zorgaanbieder verantwoordelijk voor het vervoer.
vormen van vervoer: er zijn 2 vormen van vervoer:
Standaard vervoer: Het vervoeren van cliënt tezamen met 1 of meerdere andere personen zonder dat aan het vervoer een indicatie individueel vervoer ten grondslag ligt;
Rolstoel vervoer: Het vervoeren van cliënt in zijn rolstoel op basis van de vigerende Code VVR (Veilig Vervoeren van Rolstoelgebruikers);
In sommige situaties is het mogelijk dat cliënten leren gebruik te maken van het openbaar vervoer of van andere vormen van vervoer. Dit bevordert het zelfstandig participeren. Dit kan bijvoorbeeld als de cliënt in een stabielere fase zit en toewerkt naar meer zelfstandigheid. De aanbieder stimuleert en begeleidt de cliënt dan om dit te gaan doen en organiseert samen met de cliënt dat hij/zij met het OV of zelfstandig kan reizen. Dit voorkomt dat er een situatie in stand gehouden wordt die de ontwikkeling van de cliënt belemmert en dus niet wenselijk is.
Als alternatief voor het zelf vervoeren van cliënten kan de aanbieder gebruik maken van andere oplossingen voor het vervoer.
HOOFDSTUK 5
Artikel 22
Vervoer bij dagbesteding, participatiegerichte dagbesteding en Kortdurend Verblijf
Onderdeel van Beleidsregels Wmo gemeente Smallingerland 2024