Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 11.

Verrekening bijstand bij terugvordering

Onderdeel van Beleidsregel terug- en invordering 2024 gemeente Heerde

1.. Als de belanghebbende bijstand ontvangt van de gemeente, wordt de vordering in maandelijkse termijnen met deze bijstand verrekend. Deze verrekening vindt plaats op grond van artikel 60, lid 3 Participatiewet en artikel 6:127 Burgerlijk Wetboek. 2.. Als belanghebbende bijstand ontvangt van een andere gemeente of een andere instantie zoals genoemd in artikel 60a Participatiewet, wordt de vordering of geldlening in maandelijkse termijnen met deze bijstand verrekend. Deze verrekening vindt plaats op grond van het in dit lid genoemde artikel (pseudo-verrekening). 3.. Bij terugvordering op grond van artikel 58, lid 1 of 2 Participatiewet (een verwijtbare vordering, een niet verwijtbare vordering of een geldlening) bedraagt het in te houden bedrag 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. 4.. Bij een IOAZ of IOAW uitkering wordt het aflossingsbedrag bepaald op 5% van de bruto uitkeringsgrondslag. Dit geldt bij zowel verwijtbare als niet- verwijtbare vorderingen. 5.. Als de bijstand van de gemeente op enig moment wordt beëindigd, wordt aan de belanghebbende verzocht om de verschuldigde aflossingen zelf te blijven voldoen. Er wordt vervolgens wel een onderzoek ingesteld naar de aflossingscapaciteit van de belanghebbende, en wanneer nodig wordt het aflossingsbedrag gewijzigd vastgesteld. 6.. Als de bijstand wordt beëindigd, wordt de reservering van het vakantiegeld met de vordering verrekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel