Het derde voorbeelderf ligt in het meer besloten jonge ontginningslandschap. In dit landschapstype zal de windvang vrijwel altijd minder zijn dan in de meer open gebieden. Blijft gelden dat de zuidwestelijke hoek of zijkant van het erf uit het oogpunt van windvang het meest gewenst is. Er zijn twee denkbare plekken voor een windturbine als je kijkt naar het huidige gebruik van het erf. Ofwel linksachter de meest teruggeschoven bedrijfsbebouwing of linksachter het terrein daarna waar opslag plaatsvindt. Er is gekozen voor een locatie binnen het bouwvlak die het verste van omliggende woningen ligt.
Bij het voorbeelderf 3 in een besloten landschap is sprake van een zeer langgerekt erf. Dat betekent dat de windturbine in dit geval veel verder van de openbare ruimte is gesitueerd. Verschillen tussen de typen windturbines worden daarmee minder groot. Ook is dit een landschap met veel meer beplanting. Het beeld vanaf de openbare weg wordt in dit geval veel meer door het groen, de bomen en de gebouwen bepaald dan door de windturbine. De windvang zal in dit gebied minder groot zijn en daarmee ook de animo om een windturbine aan te vragen.
Op deze afstanden zijn de verhouding tussen rotordiameter en mast minder relevant (zie afbeeldingen 13, 14 en 15). De vorm van erven is in dit gebied door de opstrekkende verkaveling en smalle percelen vaak langwerpig. Windturbines op het achtererf worden minder opvallend door zowel de rijke beplanting van het gebied als de vorm van boerderij erven.
Dit neemt niet weg dat windturbines ook van dichtbij ervaren worden door gebruikers van het erf en vanaf eventuele wegen of paden langs de opstrekkende perdelen. Dit kunnen wegen of paden zijn die al bestaan of in de toekomst kunnen ontstaan.
Het onrustige beeld van de tweewieker blijft een nadeel, ook op de grotere afstand die hier tot de windturbine bestaat.
Voorbeelderf 3 met turbines met wieklengte 7m, 8m (3-wiekers) en 10m (2-wieker)
13
14
15
Conclusie voor de windturbines in het besloten jonge ontginningslandschap
Driewieksmolen met wieken van 7 m lengte zijn goed inpasbaar bij een boerderij-erf;
Driewieksmolen met wieken van 8 m lengte zijn goed inpasbaar bij een boerderij-erf;
Tweewieksmolen met wieken van 10 m lengte is onevenwichtig en onrustig in draaiende toestand, al wordt dit minder sterk waargenomen bij extreem teruggeschoven situering van de windturbine en beperkte zichtbaarheid vanaf openbare wegen en paden;
Erfbeplanting is geen noodzaak zolang bestaande perceelsrandbeplantingen nabij het boerderij erf al voor landschappelijke inpassing zorgen.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.6
Voorbeelderf 3
Onderdeel van Regels omtrent het uiterlijk van bouwwerken zijnde windmolens in Achtkarspelen