Burgemeester en wethouders van gemeente Amersfoort;

overwegende dat het gewenst is, in een beleidsregel, richtlijnen vast te leggen voor de procedure die wordt doorlopen en moet leiden tot het intrekken van (oude) omgevingsvergunningen voor de (omgevingsplan)activiteit bouwen,

gelet op artikel 1:3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 4:81 tot en met 4:84 van de Awb en artikel 5.40 lid 2 van de Omgevingswet in samenhang met Afdeling 8.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving,

besluiten vast te stellen:

Beleidsregel intrekken omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen

Artikel 1 Begrippen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • - Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen: vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a en/of artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Omgevingswet;
  • - Bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk;
  • - Intrekken: het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen;
  • - Urgente en zwaarwegende planologische belangen: een situatie waarbij voor het gebied waarbinnen het vergunde bouwwerk is gesitueerd een aanpassing van het omgevingsplan in voorbereiding is en het vergunde bouwwerk het toekomstig planologisch kader frustreert. Hierbij moet ten minste sprake zijn van het nemen van een voorbereidingsbesluit op grond van 4.14 van de Omgevingswet of van een ter inzage gelegd ontwerpbesluit voor een aanpassing van het omgevingsplan van toepassing is.

Artikel 2 Intrekkingsregeling wanneer geen activiteiten zijn verricht

  • - Volgens artikel 5.40, tweede lid, onder b van de Omgevingswet is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om een omgevingsvergunning in te trekken, als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn, geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
  • - Indien er urgente en zwaarwegende planologische belangen zijn wordt van deze bevoegdheid na een jaar, na het onherroepelijk worden van de vergunning, actief gebruik gemaakt. Doen zich geen urgente en zwaarwegende planologische belangen voor, dan wordt na 3 jaar, na het onherroepelijk worden van de verleende vergunning, gebruik gemaakt van deze bevoegdheid.
  • - Als niet tijdig met de uitvoering van het werk is begonnen, wordt aan de vergunninghouder een voornemen tot het intrekken van de omgevingsvergunning bekend gemaakt volgens artikel 4 van deze beleidsregel.
  • - Indien er een zienswijze is ingediend, wordt bekeken of de ingediende zienswijze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn waarbinnen activiteiten moeten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
  • - De termijn bedoeld onder d wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald, maar bedraagt voor omgevingsvergunningen niet meer dan 2 jaar nadat het voornemen tot intrekken aan de vergunninghouder kenbaar is gemaakt.

Artikel 3 Gunnen ruimere termijn voor start of herstart bouwwerkzaamheden

In de volgende situaties is sprake van een concreet geval waarvoor een ruimere termijn kan worden gegund zoals bedoeld in artikel 2, onder d van deze beleidsregel:

  • - De vergunninghouder kan met concrete documenten (geaccepteerde offerte van een bouwondernemer, facturen van bestelde bouwmaterialen en/of hiermee gelijk te stellen documenten) zijn intentie tot het starten met het bouwen aantonen.
  • - De vergunninghouder kan persoonlijke omstandigheden opvoeren. Bijvoorbeeld een sterfgeval of ziekte in de familie, die aantoonbaar tot uitstel van het bouwen hebben geleid. Een ruimere termijn wordt alleen gegund als de persoonlijke omstandigheid zich niet meer dan een jaar voor de start van de intrekkingsprocedure heeft voorgedaan of deze op dat moment nog voortduurt.

Artikel 4 Procedure tot intrekking van de omgevingsvergunning

  • - Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de reguliere voorbereidingsprocedure:
    • - krijgen belanghebbenden, voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken, de gelegenheid om hierover binnen een termijn van twee weken een zienswijze naar voren te brengen (artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht).
    • - neemt het college binnen acht weken na de ontvangst van de zienswijze een besluit over het intrekken van de omgevingsvergunning volgens deze beleidsregel.
    • - wordt het besluit om de omgevingsvergunning in te trekken, bekendgemaakt aan vergunninghouder en eventuele derde belanghebbenden en wordt dat gepubliceerd op de website Overheid.nl.
  • - Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de uitgebreide voorbereidingsprocedure (conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht):
    • - wordt, voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken, het ontwerp van het te nemen besluit zes weken ter inzage gelegd. Hiervoor wordt een kennisgeving van het ontwerpbesluit gepubliceerd op de website Overheid.nl.
    • - kunnen belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.
    • - neemt de gemeente als er geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, binnen 4 weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken het besluit.
    • - neemt de gemeente als er wel zienswijzen naar voren zijn gebracht, uiterlijk 12 weken na de terinzagelegging het besluit.
    • - wordt het besluit om de omgevingsvergunning in te trekken, bekendgemaakt aan vergunninghouder en eventueel derde belanghebbenden en wordt dat gepubliceerd op de website Overheid.nl.

Artikel 5 Intrekken na toekenning ruimere termijn

Als binnen de in artikel 2, onder e van deze beleidsregel gestelde ruimere termijn geen begin is gemaakt met het bouwen, kan, in afwijking van hetgeen in artikel 4 is bepaald, de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zonder voorafgaande aankondiging ingetrokken worden.

Artikel 6 Geen uitsluiting overige intrekkingsgronden

Deze beleidsregel sluit beslissingen over de overige in artikel 5.40 van de Omgevingswet opgenomen intrekkingsgronden niet uit.

Artikel 7 Hardheidsclausule

Er wordt volgens deze beleidsregel gehandeld tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen heeft die door bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Artikel 8 Overgangsbepaling

Aan deze beleidsregel wordt terugwerkende kracht verleend. Dit betekent dat de intrekkingsprocedure ook wordt toegepast ten aanzien van omgevingsvergunningen die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel zijn verleend.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 10 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregel intrekken omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen”.

Vastgesteld in de vergadering van [datum]

De secretaris,

De burgemeester,