Eerder in deze U&H strategie hebben we vastgelegd welke doelen we willen bereiken. In de uitvoeringsstrategieën bepalen we hoe we dit gaan doen. In deze bijlage beschrijven we de strategie die we hanteren bij het behandelen van vergunningaanvragen en meldingen. In “bijlage 7 Nalevingsstrategie” worden de strategieën ten aanzien van toezicht en handhaving beschreven.

1.Scope

In deze strategie wordt onder vergunningverlening verstaan:

  • - Het toetsen en afhandelen (verlenen, weigeren, buiten behandeling stellen, intrekken of wijzigen) van vergunningsaanvragen, meldingen, principeverzoeken, vooroverleg en overige vragen;
  • - Het informeren over vergunningsvrije activiteiten;
  • - Interne- en externe afstemming, advisering over de aanvraag (vooroverleg) en communicatie;
  • - Het verzorgen van klantcontacten die betrekken hebben op de aanvragen of die betrekking hebben op informatie in algemene zin betreffende de fysieke leefomgeving.

2.Uitgangspunt

De gemeente heeft de taak om de verschillende belangen vanuit de verschillende disciplines te coördineren. We werken met casemanagement per gebied, bij elke aanvraag wordt een casemanager van desbetreffende gebied toegewezen. De klant beschikt hierdoor over één vast aanspreekpunt. Het risico dat bij vergunningverlening tegenstrijdige voorschriften worden gesteld wordt hiermee sterk verminderd. De casemanager krijgt vanuit de betrokken disciplines adviezen aangereikt, vertaalt deze in een voor de aanvrager begrijpelijke vorm, en ziet toe op het integrale karakter van de omgevingsvergunning.

Uitgangspunt bij vergunningverlening is dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te verlenen vergunning. Met de komst van de Omgevingswet zijn activiteiten niet meer onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit zorgt ervoor dat aanvrager activiteiten los van elkaar kan aanvragen en de gemeente losse vergunningen kan verlenen (bijv. ruimtelijk en technisch). De gemeente houdt zich hierbij aan de informatieplicht en zal de aanvrager wijzen op alle benodigde activiteiten voor de werkzaamheid die uitgevoerd wordt. De gemeente houdt zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

3.Basiswerkwijze voor vergunningverlening en afhandeling van meldingen

In dit hoofdstuk komt naar voren wat ons hoofdproces is voor aanvragen en meldingen. Vervolgens wordt ingegaan op bepalingen die we in de processen tegen kunnen komen, zoals de doorlooptijden, ontvankelijkheidstoets, samenwerking in de regio, de Wkb, locatie specifieke risico’s, vergunningsvrij bouwen en participatie.

Hoofdproces

Ons hoofdproces voor het besluiten op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgt de wettelijke procedure zoals vastgelegd in de Omgevingswet en bijbehorende regelgeving (o.a. Bruidsschat; Bbl en Bkl). Hierin staan de te controleren indieningsvereisten stuk voor stuk benoemd.

De basiswerkwijze voor het verlenen van een omgevingsvergunning is vastgelegd in zaaksysteem Centric Leefomgeving (CLO), waarbij de processtappen worden doorlopen en wordt aangegeven wie waarvoor verantwoordelijk is. Het gaat hier om de processtappen op hoofdlijnen. De gemeente specifieke werkwijze en keuzes zijn vastgelegd in werkafspraken en -processen.

De gemeente verzorgt de volgende taken van iedere aanvraag en melding:

  • - Inboeken, registreren en eventueel digitaliseren van de aanvraag;
  • - Het versturen van een ontvangstbevestiging;
  • - Registeren aanvraag in CLO;
  • - Controleren bevoegd gezag;
  • - Controleren benodigde activiteiten en procedure;
  • - Toetsen op ontvankelijkheid;
  • - Controleren meervoudige of enkelvoudige aanvraag;
  • - Publiceren ingekomen aanvraag en (concept)beschikkingen;
  • - Overzicht bewaken over lopende procedures, de voortgang en termijnen;
  • - (Vak)inhoudelijke toets aan alle relevante beoordelingskaders (indieningsvereisten, Bruidsschat, Bbl en Bkl);
  • - Advies vragen aan interne- en externe adviseurs;
  • - Aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager;
  • - Opstellen (concept)beschikking;
  • - Doorlopen van CLO;
  • - Verzenden beschikking
  • - Publicatie van de beschikking
  • - Archiveren beschikkingen (analoog en digitaal).
  • - Mogelijk bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening.

Correspondentie, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften voor de toestemmingen die onder de Omgevingswet vallen zijn deels gestandaardiseerd in CLO. Deze worden waar nodig aangepast aan de betreffende situatie.

Doorlooptijden

Voor het behandelen van een aanvraag omgevingsvergunning geldt een bepaalde termijn waarbinnen wij een besluit moeten nemen. Sinds de Omgevingswet in werking is getreden kunnen we 3 termijnen onderscheiden:

  • - Reguliere procedure (8 weken, eenmalig te verlengen met 6 weken)
  • - Reguliere procedure waarbij advies met instemming is benodigd (12 weken, eenmalig te verlengen met 6 weken)
  • - Uitgebreide procedure (6 maanden, eenmalig te verlengen met 6 weken)
  • - Procedure waarbij meerdere activiteiten zijn aangevraagd (langste termijn van ieder van de activiteiten)

Meldingen (niet-zijnde bouwmeldingen en gereedmeldingen) hebben geen uiterlijke termijn en op meldingen volgt geen besluit. Bij de behandeling van de melding wordt inhoudelijk getoetst én beoordeeld of aanvullende onderzoeken noodzakelijk zijn. Na beoordeling ontvangt de melder een bevestigingsbrief.

De bouwmelding moet 4 weken voorafgaand aan de bouw worden ingediend, de gemeente heeft 4 weken de tijd om een reactie te geven.

De gereedmelding moet 2 weken voor ingebruikname worden ingediend, de gemeente heeft 2 weken de tijd om een reactie te geven.

Gegevens en bescheiden

We verrichten een volledige ontvankelijkheidstoets bij alle vergunningsaanvragen. Als richtlijn geldt dat binnen één week na ontvangst van de aanvraag schriftelijk om aanvullende gegevens wordt verzocht. Als de gevraagde stukken niet, niet op tijd of niet volledig worden aangeleverd wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Een buiten behandelingstelling is een besluit waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

Bij een melding wordt de melder erop gewezen dat er gegevens en/of bescheiden ontbreken en de activiteit niet kan worden uitgevoerd. Pas als er een nieuwe, volledige melding wordt gedaan kan de activiteit worden uitgevoerd.

Bibob toets

Indien, voor zover dit uit de aanvraag kan worden opgemaakt, met de verlening van een vergunning het gevaar bestaat dat daarmee strafbare feiten gepleegd zullen worden of dat uit strafbare feiten verkregen geld benut zal worden, wordt door onze gemeente in het voortraject of na ontvangst van de aanvraag een Bibob toets uitgevoerd. De situaties waarbij een Bibob-toets wordt uitgevoerd, zijn vastgelegd in het Bibob-beleid.

Samenwerking in de Regio

Bij de behandeling van vergunningaanvragen werkt de gemeente Amersfoort samen met diverse ketenpartners. Met een aantal ketenpartners zijn afspraken gemaakt. In een aantal gevallen heeft de gemeente advies met instemming nodig van de Provincie of de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD). Voor de kwaliteit van de specialistische bouwplantoetsing v.w.b. bouwakoestiek kunnen de casemanagers advies vragen aan de vakafdeling of bij een specialistisch bureau.

De knip

In de Omgevingswet wordt voor een bouwactiviteit, de bouwtechnische en ruimtelijke beoordeling uit elkaar gehaald en gesplitst in twee los van elkaar staande activiteiten: De (technische) bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit. Dit wordt “de knip” genoemd. Met deze knip zal “het bouwen van een bouwwerk” moeten worden getoetst aan twee verschillende soorten regels. Enerzijds aan de bouwtechnische regels uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) en anderzijds aan de regels die de gemeente heeft opgenomen in het omgevingsplan. Wanneer je aan welke regels toetst is verder in deze strategie uiteengezet.

Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)

Gelijktijdig met de Omgevingswet is de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) in werking getreden. De Wkb geldt voorlopig alleen voor het nieuw bouwen van eenvoudige bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 (beperkte gevolgen), zoals bijvoorbeeld eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden. Bouwwerken die vallen onder de Wkb worden door de gemeente niet meer preventief (door middel van een vergunning) getoetst aan de bouwtechnische voorschriften uit het BBL. In plaats daarvan moet de initiatiefnemer een onafhankelijke Kwaliteitsborger inschakelen. Bij gevolgklasse 2 en 3 en bij een verbouwing wordt getoetst op gelijke wijze als vóór de invoering van de Omgevingswet.

De locatie specifieke risico’s

Onder de WKb toetst een onafhankelijke kwaliteitsborger de bouwplannen. De kwaliteitsborger moet actief nagaan of er bijzondere lokale omstandigheden zijn en hier rekening mee houden. De gemeente deelt deze specifieke risico’s actief op de website of met de initiatiefnemer zodat er tijdig rekening mee gehouden kan worden. Hieronder is een lijstje opgenomen met de locatie specifieke risico’s die wij nu in beeld hebben. Dit kan per gebied verschillen, de komende beleidsperiode werken we de risico’s verder uit in bijvoorbeeld het Omgevingsplan

  • - Kleilagen in de ondergrond die heien van prefab palen bemoeilijkt of voorboren noodzakelijk maakt;
  • - Watervoerende lagen (bijvoorbeeld “eemstroom”) in de ondergrond die mogelijk een risico vormen bij grondgevormde funderingspalen;
  • - Resten van funderingen of andere materialen in de bodem die mogelijk van invloed zijn op de funderingswijze;
  • - Specifieke funderingsconstructies van belendingen die van invloed zijn op de fundering van een te bouwen bouwwerk;
  • - De windbelasting op een bouwwerk als gevolg van bouwwerken in de omgeving;
  • - Hoogtes en peilmaten;
  • - NGE (niet gesprongen explosieven) aandachtsgebieden zijn aangegeven op kaart;
  • - Bij bouwwerkzaamheden nabij een monument of een bouwvallig gebouw of een gebouw dat slecht gefundeerd is moeten vooraf extra maatregelen die het risico op het ontstaan van schade door trillingen verkleinen;
  • - Draagkracht van de bodem;
  • - Asbest in bodem of nabije omgeving;
  • - Bouwen langs een spoorlijn.

De kwaliteitsborger is verplicht:

  • - De bijzondere lokale omstandigheden mee te nemen in de risicobeoordeling van de bouwactiviteit
  • - In het borgingsplan aan te geven welke maatregelen naar aanleiding van de bijzondere lokale omstandigheden worden getroffen
  • - Bij de verklaring aan te geven wat het resultaat was van de maatregelen die zijn genomen om de lokale risico’s te voorkomen of te beperken.

Later in de strategie wordt uitgewerkt wanneer en hoe deze risico’s worden verwerkt en getoetst.

Vergunningsvrije bouwwerken

De gemeente bepaalt in het omgevingsplan welke activiteiten omgevingsvergunningsvrij zijn. Daarnaast zorgen de Omgevingswet en de Wkb voor wijzigingen ten aanzien van het aantal vergunningsvrije bouwactiviteiten. Ook hier moet worden gekeken naar de knip tussen bouwtechnische en ruimtelijke toets. Bij beide activiteiten is een aantal activiteiten vrijgesteld van de vergunningplicht.

Een vergunningsvrije bouwactiviteit betekent niet dat de overige technische voorschriften uit het BBL niet van toepassing zijn. De initiatiefnemer, de aannemer of ontwikkelaar moet daar bij de bouw dus nog wel degelijk aan voldoen. Bij geconstateerde strijdigheden houdt de gemeente hier ook de bevoegdheid om handhavend op te treden bij overtreding van deze wettelijke voorschriften uit het BBL.

Intrekken van een vergunning

Artikel 5.40, lid 2, onder b Omgevingswet bepaalt dat als gedurende één jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan intrekken. De gemeente Amersfoort heeft een beleidsregel ‘intrekken omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen’ waarin is vastgelegd hoe we omgaan met het intrekken van een omgevingsvergunning.

Participatie

De omgeving vroeg bij een project betrekken vergroot het draagvlak en voorkomt vaak bezwaren in een later stadium. Daarom is het voor een initiatiefnemer vaak verstandig om aan participatie te doen. Participatie betekent: meningen inwinnen over het voorgenomen initiatief.

De initiatiefnemer moet bij het aanvragen van elke omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit is een aanvraagvereiste. De wijze van participatie is vormvrij.

De gemeente Amersfoort heeft een participatiebeleid vastgesteld en de verdere uitwerking daarvan verwerkt in de participatiegids. Deze gids bevat handvatten voor initiatiefnemers, gemeente en belanghebbenden voor participatie rond ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de meest complexe ontwikkelingen, waarbij het omgevingsplan gewijzigd wordt, heeft de gemeenteraad met deze gids een aantal vaste stappen voorgeschreven.

In een aantal gevallen, zie figuur 1, is participatie verplicht voorafgaand aan de vergunningaanvraag. Het is een indieningsvereiste. Aanvrager dient een verslag aan te leveren waarin staat wie hij heeft betrokken, hoe hij dat heeft gedaan, wat hij heeft opgehaald, en hoe hij die opbrengst al dan niet heeft verwerkt in het uiteindelijke plan. De casemanager toetst dit op hoofdlijnen.

Afbeelding bij dit artikel

Figuur 1: Tabel verplichte participatie

4.Beoordelingskader meldingen en vergunningen

Zoals al eerder benoemd is de onlosmakelijkheid van activiteiten onder de Omgevingswet verdwenen. Dit betekent dat aanvrager er zelf voor kan kiezen om alle benodigde activiteiten in één vergunning aan te vragen, of alles los aan te vragen. De activiteiten zijn te onderscheiden in meldingen, omgevingsvergunningen en APV-activiteiten.

Hieronder staan de meest voorkomende vergunnings- of meldingsplichtige activiteiten bij gemeente Amersfoort en het bijbehorende beoordelingskader.

Meldingen

(Asbest-)sloopmelding

Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt. Ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden moet een melding bij het bevoegd gezag worden gedaan.

Het behandelen van de melding gaat op hoofdlijnen als volgt:

  • - Ontvangst en registratie van de sloopmelding;
  • - Toetsing op volledigheid van gegevens en bescheiden. Hieronder valt ook een eventueel asbestinventarisatierapport;
  • - Beoordeling relevante wet- en regelgeving;
  • - De melder een bevestiging van acceptatie sturen.

Gebruiksmelding (brandveiligheid)

Een gebruiksmelding is verplicht bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur of een woonfunctie voor zorg. Voor een niet-woonfunctie is een gebruiksmelding alleen verplicht als het totaal aantal personen in het bouwwerk groter is dan het aantal personen genoemd in tabel 6.6 (artikel 6.6 BBL). De verplichting geldt voor structurele, maar ook voor incidentele gevallen.

In een gebouw (of deel van een gebouw) met meerdere gebruiksfuncties moeten het aantal personen bij elkaar worden opgeteld. Vervolgens bepaalt de gebruiksfunctie met het laagste aangewezen aantal aanwezige personen of er een gebruiksmelding gedaan moet worden of niet.

Meldingen brandveilig gebruik worden doorgestuurd naar, getoetst en afgehandeld door de Veiligheidsregio Utrecht op basis van de Dienstverleningsovereenkomst Risicobeheersing (pluspakket). Ook het toezicht op brandveilig gebruik wordt door de VRU uitgevoerd.

Bouwmelding

De categorie bouwwerken die onder de WKB vallen (gevolgklasse 1) zijn meldingsplichtig. Er hoeft in deze gevallen geen technische omgevingsvergunning aangevraagd te worden, een melding is voldoende. Deze melding moet worden gedaan minimaal vier weken voordat de initiatiefnemer wil starten met de bouw.

De WKB is sinds kort in werking, wij hebben nog niet actief gewerkt met bouwmeldingen. Hierdoor weten wij niet hoe het in de praktijk zal werken. Hieronder benoemen wij onze beoogde werkwijze waarvan wij nu denken dat het zo gaat werken. De komende beleidsperiode zal hier meer vorm aan gegeven worden.

Ontvankelijkheid

De bouwmelding moet de volgende gegevens bevatten (artikel 2.18 Bbl):

  • - naam, adres en telefoonnummer van degene die het bouwwerk bouwt
  • - naam, adres en telefoonnummer van een gemachtigde (als die de melding indient)
  • - e-mailadres (als melding elektronisch plaatsvindt) van degene die het bouwwerk bouwt of gemachtigde
  • - dagtekening
  • - adres, kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt
  • - beschrijving van de bouwactiviteit inclusief gebruiksfunctie van het bouwwerk
  • - wie de kwaliteitsborger is en met welk instrument voor kwaliteitsborging de kwaliteitsborger werkt
  • - risicobeoordeling
  • - borgingsplan
  • - In de risicobeoordeling en het borgingsplan moeten de locatie specifieke risico’s zijn meegenomen.

Na bouwmelding naar hogere gevolgklasse

Het kan zijn dat er na de bouwmelding geen sprake meer is van gevolgklasse 1. Bijvoorbeeld als tijdens het bouwen zodanige aanpassingen plaatsvinden aan het bouwwerk dat het onder een hogere gevolgklasse komt te vallen. In dat geval moet de bouw stoppen en moet de initiatiefnemer alsnog een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit aanvragen.

Casemanager controleert bouwmelding op volledigheid

De casemanager beoordeelt of de bouwmelding volledig is. Als dat zo is, dan mag de bouw zoals gepland na de termijn van 4 weken starten. Beoordeelt de casemanager binnen 4 weken dat de bouwmelding onvolledig is? Dan sturen we een reactie op de melding met daarin wat de ontbrekende stukken zijn en dat de aanvrager een geheel nieuwe volledige melding moet indienen. Na het indienen van de nieuwe melding gaat de termijn van 4 weken weer lopen. Er is geen publicatie van een bouwmelding in bijvoorbeeld dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.

Extra informatie

Het bevoegd gezag kan om extra informatie vragen boven op de verplichte gegevens die bij een bouwmelding moeten zitten. Dat geldt voor bijzondere situaties waarin bepaalde specifieke risico's spelen die van invloed kunnen zijn op het voldoen van de bouwactiviteit aan de bouwtechnische regels van hoofdstuk 4 en 5 van het Bbl. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij locatie specifieke risico’s. Het bevoegd gezag kan dan voor specifieke bouwwerkzaamheden die daarmee samenhangen (inclusief de momenten waarop ze plaatsvinden) informatie opvragen (artikel 2.20 Bbl).

Meekijken toezichthouder

Als de casemanager niet zeker weet of de bouwmelding volledig is kan de toezichthouder op aanvraag meekijken met de casemanager. De casemanager stelt een gerichte adviesvraag waar de toezichthouder op kan reageren.

Bouw- en sloopveiligheidsplan

Het bouw- en sloopveiligheidsplan is geen indieningsvereiste bij de bouwmelding. Het is een los informatieverzoek in DSO. De casemanager controleert tijdens de bouwmelding of het bouw- en sloopveiligheidsplan erbij zit en of die al eerder is geaccordeerd. Is dit niet het geval en is het wel verplicht? Dan accepteren we de bouwmelding (bij volledigheid) en wijzen wij de initiatiefnemer erop dat het nog ingediend moet worden.

Behandelen bouw- en sloopveiligheidsplan

Zit het bouw- sloopveiligheidsplan er wel bij? Of wordt het los ingediend? Dan wordt het plan inhoudelijk getoetst door de casemanager. Er wordt, zo nodig, advies gevraagd aan de adviseur verkeer, afdeling Leefomgeving en constructie.

Gereedmelding

Vóór het in gebruik nemen van een bouwwerk moet eerst een gereedmelding naar ons worden opgestuurd. Dit moet ten minste 2 weken voor het in gebruik nemen van het bouwwerk.

Met een gereedmelding controleert de toezichthouder bouw of de kwaliteitsborging is uitgevoerd volgens de regels. En dat het bouwwerk naar het oordeel van de kwaliteitsborger voldoet aan de bouwtechnische regels van het Bbl. Het is mogelijk om 1 gereedmelding te doen voor meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op terreinen die met elkaar samenhangen.

Ontvankelijkheid

De gereedmelding bestaat uit:

  • - naam, adres en telefoonnummer van degene die de bouwmelding heeft gedaan
  • - adres, kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waar de bouwactiviteit is uitgevoerd
  • - dagtekening
  • - de verklaring van de kwaliteitsborger
  • - informatie (als die van belang is) die ingaat op de getroffen maatregelen in het borgingsplan om bouwtechnische risico's te voorkomen of te beperken
  • - aanduiding van de gebruiksfuncties, verblijfsgebieden, verblijfsruimten en de afmetingen en de bezetting van alle ruimten, inclusief totaaloppervlakten per gebruiksfunctie
  • - informatie waaruit blijkt dat het bouwwerk voldoet aan de regels over:
    • - bouwconstructie
    • - luchtverversing
    • - Energiezuinigheid
    • - Milieuprestatie
  • - informatie over brandveiligheid (dezelfde informatie als die nodig is bij een melding brandveilig gebruik in artikel 6.8, lid 1, onder d, onder 4° en 5° Bbl)
  • - informatie over toegepaste gelijkwaardige maatregelen.

De onderdelen d t/m i vormen samen het 'dossier bevoegd gezag'.

Beoordeling

De verklaring van de kwaliteitsborger toetsen we inhoudelijk. Zit alles erbij en staan alle vinkjes op groen? Zijn er geen bijzondere mededelingen? Dan kunnen we instemmen met de verklaring.

Het dossier bevoegd gezag (e-i) beoordelen we op volledigheid. Zitten alle stukken erbij? Dan melden we de aanvrager dat wij het aannemelijk vinden dat de melding volledig is.

Is de melding niet volledig? Dan informeert de toezichthouder de initiatiefnemer hierover. De melding moet gezien worden als geen melding, we wijzen de melding af. Het bouwwerk mag niet in gebruik genomen worden.

Deelopleveringen bij meerdere woningen onder gevolgklasse 1

Van deelopleveringen is sprake wanneer er meerdere woningen worden gebouwd onder gevolgklasse 1, waarbij het wenselijk is om een aantal woningen eerder op te leveren voordat het gehele project klaar is. Binnen de regelgeving is hier niets over geregeld.

De gemeente Amersfoort werkt alleen mee met deelopleveringen wanneer de kwaliteitsborger of aannemer volledige deeldossiers en deelverklaringen per woning kan indienen. Lukt dat en voldoen de stukken? Dan kunnen we meewerken met de deelopleveringen en kunnen de woningen in gebruik genomen worden. Wil de kwaliteitsborger of aannemer geen deeldossiers en deelverklaringen opstellen? Dan krijgen ze geen akkoord voorafgaand, is er een verbod op ingebruikname en moet eerst alles afgebouwd worden voordat er woningen opgeleverd kunnen worden en mensen zich kunnen inschrijven.

Omgevingsvergunningen

Omgevingsvergunning Bouwactiviteit (technisch)

Toetsing aan het BBL

Alle aanvragen voor een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een technische bouwactiviteit (gevolgklasse 2 en 3), worden getoetst aan het BBL. De bouwtechnische voorschriften uit het BBL zijn niet gedifferentieerd naar zwaarte. Bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag moet voor bepaalde voorschriften worden bepaald of het aannemelijk is dat aan deze voorschriften wordt voldaan. Deze aannemelijkheidstoets biedt enige ruimte om te kunnen variëren in toets intensiteit. Het is voor (vrijwel) geen enkele gemeente mogelijk om alle voorschriften uit het BBL even uitputtend te toetsen. Bovendien vraagt niet elk gebouw/bouwwerk om dezelfde mate van toetsing. Bouwplannen lopen namelijk zeer uiteen.

Het toetsen van vergunningsaanvragen aan de bouwtechnische voorschriften uit het BBL vindt risicogestuurd plaats. Hiervoor wordt het “Toetsprotocol BBL”, zie bijlage 5, gebruikt. In het protocol staat het niveau van toetsing en schrijven casemanagers op of het plan voldoet of niet. Hiermee is de kwaliteit en verantwoording geborgd, doordat:

  • - Bouwplannen eenduidig, consequent, transparant en adequaat worden getoetst. Hierdoor wordt de veiligheid van bouwwerken verhoogd en gewaarborgd, alsmede het gezond en veilig gebruik ervan;
  • - Keuzes en prioriteiten worden gemotiveerd en bestuurlijk vastgelegd;
  • - Naar inwoners en ondernemers herleidbaar kan worden aangegeven aan welke voorschriften uit het BBL hun aanvraag getoetst is en met welke intensiteit.

Het toetsprotocol maakt per (hoofd)gebruiksfunctie van het BBL onderscheid in 4 toetsniveaus:

  • - Niveau 1: snel toetsen;
  • - Niveau 2: visueel toetsen;
  • - Niveau 3: representatief toetsen;
  • - Niveau 4: integraal toetsen.

In figuur 2 is een definitie van de verschillende toetsniveaus aangegeven. De diepgang van de toets kan variëren van snel toetsen tot integraal toetsen. Elk volgend toetsniveau is een aanvulling op het vorige.

NiveauToetsniveauDefinitie
1Snel toetsenDit is een feite een uitgangspuntentoets. Getoetst wordt of alle stukken er zijn en of ze beschikbaar zijn om de uitgangspunten van de aanvraag te kunnen beoordelen. De toets beperkt zich tot de aangeleverde stukken en is in feite een ontvankelijkheidstoets. Dit niveau is de minimale invulling die wordt toegepast wanneer de kans op risico’s en de gevolgen zeer gering zijn.
2Visueel toetsenZijn de uitgangspunten (maten) opgenomen. Kloppen de uitgangspunten en zijn de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de aangeleverde stukken ten aanzien van het betreffende aspect in de juiste vorm zijn en of het aannemelijk is dat daarmee aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving voldaan wordt.
3Representatief toetsenControle van de maatgevende onderdelen. Nagegaan wordt of de uitgangspunten juist zijn en of deze aannemelijk zijn. Maatgevende berekeningen worden gecontroleerd dan wel nagerekend.
4Integraal toetsenDeze aspecten worden volledig getoetst, ook in samenhang met andere aspecten. Nagegaan wordt of de uitgangspunten juist zijn en de uitkomsten worden gecontroleerd en nagerekend.

Figuur 2: Definitie van de verschillende toetsniveaus

Constructieve toetsing

Alle aanvragen voor een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een technische bouwactiviteit in gevolgklasse 2 en 3, worden door de interne constructeur getoetst aan de regels voor constructieve veiligheid (BBL) . De aanvragen voor een omgevingsvergunning in gevolgklasse 1 toetsen we als daar aanleiding toe is. De toetsing vindt risicogestuurd plaats volgens het “toetsprotocol BBL”, opgenomen in Bijlage 5.

Brandveiligheid

Alle aanvragen voor een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een technische bouwactiviteit (gevolgklasse 2 en 3) worden door de VRU getoetst aan de regels voor brandveiligheid uit het BBL. De aanvragen voor een omgevingsvergunning in gevolgklasse 1 toetsen we als daar aanleiding toe is. De toetsing vindt risicogestuurd plaats volgens het landelijke toetsprotocol.

De door de VRU opgestelde toetsingsrapportage wordt aan de gemeente voorgelegd. De gemeente behandelt de vergunningaanvraag verder.

Bouwactiviteit omgevingsplan (OPA)

Aan de andere kant van de knip bevindt zich de ruimtelijke beoordeling voor bouwwerken. We spreken over een OPA als in het omgevingsplan staat dat er een vergunningplicht is, onder welke voorwaarden we de activiteit kunnen toestaan en het (bouw)plan hieraan voldoet. We toetsen de aanvraag aan de ruimtelijke eisen van het Omgevingsplan en de welstandseisen uit de welstandsnota.

Ruimtelijke toetsing

In het Omgevingsplan worden ruimtelijke beleidskeuzes vertaald naar praktisch toepasbare voorschriften. De casemanager toetst aan de regels en legt het eventueel voor aan de Ruimtelijk adviseurs binnen afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH).

De Ruimtelijk adviseur kan ervoor kiezen om het plan te bespreken op de Kleine Omgevingstafel. Hier worden de aanvragen voor een OPA met nadere beoordelingsregels, aanlegactiviteiten, en slopen (op grond van het Omgevingsplan of binnen beschermd stadsgezicht) besproken. Verschillende disciplines geven integraal het advies en, in de meeste gevallen, kan er vervolgens door de casemanager een besluit worden genomen. Eventuele voorschriften worden in de vergunning opgenomen.

Toetsing aan welstandseisen

In de welstandsnota worden door het vastgestelde kader de ruimtelijke uitstraling en kwaliteit van de gemeente waar nodig gewaarborgd. Indien blijkt dat de aanvraag voldoet aan de ruimtelijke regels van het Omgevingsplan, dan wordt de aanvraag getoetst aan de redelijke eisen van welstand. Welstand is ook een belang dat al wordt meegenomen in de ruimtelijke afweging. Concreet houdt dit in dat het bouwplan moet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in de Welstandsnota. In Amersfoort is een beperkt aantal gebieden aangewezen als welstandsvrij en loopt er een pilot welstandsvrij over meerdere kleine gebieden over de stad.

Om de redelijke eisen van welstand te beoordelen, legt de casemanager het bouwplan voor aan de Stadsbouwmeester. Plannen die vallen binnen rijksbeschermde of gemeentelijke stadsgezichten, of die anderszins een waarde bevatten die de gemeente wil beschermen, worden voorgelegd aan de subcommissie Erfgoed. Wanneer een grotere groep de plannen moet beoordelen omdat er sprake is van een grotere ruimtelijke ontwikkeling of het beoordelen van een beleidsnota, dan komt de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit (GAO) samen.

Locatiespecifieke risico’s

Als tijdens het beoordelen van de aanvraag, of in het voortraject, blijkt dat het plan valt in gevolgklasse 1, worden de locatie specifieke risico’s meegegeven aan de aanvrager. In de vergunning worden de locatie specifieke risico’s opgenomen als voorwaarde. Op deze manier is de kwaliteitsborger op tijd op de hoogte. De kwaliteitsborger is verplicht deze risico’s mee te nemen, ook in de bouwmelding.

Deelopleveringen

Gaat het om een groot nieuwbouwproject en verwacht de casemanager dat er gebruik gemaakt kan worden van deelopleveringen? Dan wordt de initiatiefnemer geattendeerd op de eerder genoemde voorwaarden waarbinnen dit kan. Op deze manier is initiatiefnemer tijdig op te hoogte en kan er nog voor verschillende opties gekozen worden.

Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA)

Als de initiatiefnemer wil bouwen of een perceel wil gebruiken in strijd met de regels van het Omgevingsplan, dan kunnen we het bouwwerk of het gebruik in bepaalde gevallen toch toestaan door middel van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het verlenen van deze omgevingsvergunning is een bevoegdheid van het college die (in de meeste gevallen) is gemandateerd aan VTH. Om een omgevingsvergunning BOPA te kunnen verlenen, dient te worden onderbouwd dat de aanvraag voldoet aan het vereiste van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en daarnaast aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (dit staat in het Bkl). Om dit te kunnen onderbouwen wordt het plan in eerste instantie besproken aan de Kleine Omgevingstafel. Hierin zijn de disciplines monumentenzorg, stedenbouw, verkeer, milieu, economie, wonen en planjuristen vertegenwoordigd en indien nodig kunnen hier andere disciplines aanschuiven. De meeste plannen kunnen aan de Kleine Omgevingstafel worden afgehandeld. De casemanager handelt vervolgens de aanvraag verder af.

Complexe plannen

Een klein deel van de plannen (dit zijn de grotere en meer complexe aanvragen), waarvoor meestal ook adviesrecht van de gemeenteraad en verplichte participatie geldt en waarvoor we meestal een uitgebreide procedure willen toepassen, wordt aan de Intaketafel besproken. Hier beoordelen we de wenselijkheid van het plan en of het plan verder moet worden behandeld aan de Omgevingstafel of als Project. Na instemming door de wethouder wordt het plan verder (met de initiatiefnemer) besproken aan de Omgevingstafel. Hier beoordelen we de haalbaarheid van het plan. Andere plannen worden verder door een projectleider opgepakt als Project, via de Portfolioraad.

De procedure voor de omgevingsvergunning BOPA volgt in principe de reguliere procedure (8 weken + mogelijkheid verlenging 6 weken). In bepaalde situaties kan het bevoegde gezag de uitgebreide procedure van toepassing verklaren. Dit kan onder de volgende voorwaarden:

  • - Als onderbouwd kan worden dat er (mogelijk) aanzienlijke gevolgen zijn voor de fysieke leefomgeving
  • - Als aannemelijk kan worden gemaakt dat meerdere belanghebbenden hiertegen bedenkingen hebben

De gemeente Amersfoort heeft dit uitgewerkt in de “Beleidsregel toepassing uitgebreide procedure op aanvraag omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit”.

Aan de Kleine Omgevingstafel wordt bepaald of een plan in aanmerking komt voor de uitgebreide procedure. Dit is een besluit dat vervolgens wordt genomen ten tijde van het verlenen van de BOPA.

In een aantal gevallen heeft de gemeenteraad adviesrecht. Dit zijn gevallen die vooraf zijn vastgelegd, zie de tabel in figuur 3. Dit zijn ook gevallen waarin participatie verplicht is en wordt getoetst als indieningsvereiste van de aanvraag.

Afbeelding bij dit artikel

Figuur 3: Tabel adviesrecht gemeenteraad

Locatiespecifieke risico’s

Als tijdens het beoordelen van de aanvraag, of in het voortraject, blijkt dat het plan valt in gevolgklasse 1, worden de locatie specifieke risico’s meegegeven aan de aanvrager. In de vergunning worden de locatie specifieke risico’s opgenomen als voorwaarde. Op deze manier is de kwaliteitsborger op tijd op de hoogte. De kwaliteitsborger is verplicht deze risico’s mee te nemen in de bouwmelding.

Deelopleveringen

Gaat het om een groot nieuwbouwproject en verwacht de casemanager dat er gebruik gemaakt kan worden van deelopleveringen? Dan wordt de initiatiefnemer geattendeerd op de eerder genoemde voorwaarden waarbinnen dit kan. Op deze manier is initiatiefnemer tijdig op te hoogte en kan er nog voor verschillende opties gekozen worden.

Sloopvergunning

In onderstaande 3 gevallen is een sloopvergunning benodigd voor het slopen:

  • - Het bouwwerk is een monument;
  • - Het bouwwerk ligt in een beschermd stads- of dorpsgezicht;
  • - In het bestemmingsplan staat dat een omgevingsvergunning nodig is.

De aanvraag sloopvergunning wordt getoetst aan de relevante wet- en regelgeving en op constructieve veiligheid van het gebouw zelf en de omliggende gebouwen. Indien er sprake is van een monument of beschermd stads- of dorpsgezicht wordt de aanvraag voorgelegd aan de subcommissie Erfgoed.

Activiteit vellen houtopstand

Van kappen kan sprake zijn als een boom of houtopstand geveld wordt of als er zeer drastisch wordt gesnoeid, bijvoorbeeld het verwijderen van de kroon uit een boom. In de Verordening Fysieke Leefomgeving Amersfoort (FLOA) is opgenomen dat het verboden is om zonder kapvergunning bomen te vellen.

Een aanvraag wordt getoetst aan de indieningsvereisten (eigenaar perceel, vragen beantwoord, foto, situatietekening).

De medewerker van de afdeling Leefomgeving (LO) beoordeelt de boom technisch en kijkt naar de kwaliteit van de boom.

Afhankelijk van de beoordeling van de medewerker LO en de casemanager wordt een aanvraag besproken in het kapvergunningenoverleg. In dat overleg beoordeelt de Ruimtelijk adviseur, een landschapsarchitect en de een ecoloog de aanvraag. Een aanvullende flora- en faunatoets kan worden verlangd. Vervolgens kan een vergunning worden verleend of geweigerd. Het toetsingskader wordt gevormd door de bomenleidraad, vastgesteld door de gemeenteraad. Daarnaast kennen we de monumentale bomenlijst waar bomen op staan die in beginsel niet gekapt mogen worden.

Aanlegvergunning

In het omgevingsplan kan een verbod worden ingesteld dat binnen een gebied bepaalde “werken die geen bouwwerken zijn” of bepaalde werkzaamheden uit te voeren zonder vergunning niet is toegestaan. In de voorschriften van het omgevingsplan is dan aangegeven wanneer een aanlegvergunning nodig is. Voorbeelden zijn het aanleggen van wegen of paden, het graven van sloten of het ophogen of afgraven van grond. De aanvraag wordt 100% getoetst aan de bepalingen die zijn opgenomen in het Omgevingsplan.

Rijksmonumentenactiviteit

Voor het aanpassen van een pand dat een rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument is, is, naast mogelijke andere vergunningen, een omgevingsvergunning met de activiteit “Rijksmonumentenactiviteit” nodig. De aanvraag vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk cultuurhistorisch erfgoed. Naast de gebruikelijke beoordeling van de aanvraag via de subcommissie Erfgoed ligt het voor de hand dat bij de toetsing van aanvragen voor een vergunning voor monumenten wordt aangesloten bij de toetsingsstrategie voor de Bouwactiviteit omgevingsplan (OPA). Immers, voor het merendeel van de veranderingen aan een monument is ook een OPA vereist. Door de intensiteit van toetsing en toezicht te vergroten als het een monument betreft kan een afdoende waarborg tegen vernietiging van monumentale waarden worden verkregen.

Belangrijkste toetsingskader is de “Cultuurhistorische analyse beschermd stadsgezicht binnenstad Amersfoort” waarin het gros van de Amersfoortse monumenten gelegen zijn.

In de binnenstad en Rijksbeschermde stadsgezichten staan de eisen waar aan getoetst wordt in de cultuurhistorische analyse en in “bestemmingsplan de Berg”. Dit ziet toe op de bescherming van een gebied.

Voor specifieke monumenten geldt een redengevende omschrijving per monument. Hierin staat waarom iets een monument is en welke waarde beschermd moet worden. Alle Rijksmonumenten staan ook op monumentenregister.nl

Vanuit de erfgoedverordening kan een bouwhistorisch onderzoek worden geëist. Als gemeente onderzoeken we eerst of dat wel een adequaat middel is.

Milieu

Voor de activiteit milieu is er een regionale U&H strategie waarin de strategie en het beoordelingskader is opgenomen.

Reclame

De beoordeling van aanvragen voor de activiteit reclame worden getoetst aan de welstandsnota en ter advisering voorgelegd aan de stadsbouwmeester.

Inritten

In het Omgevingsplan staat opgenomen dat je niet zonder melding een inrit mag realiseren. Eerst vindt er een volledigheidstoets plaats (gegevens aanvrager en tekening). Sommige aanvragen worden voor advies uitgezet aan de afdeling Stad en Ontwikkeling en mogelijk naar de afdeling Leefomgeving voor het doorkruisen van groen. Vervolgens wordt ingestemd met de melding op basis van voorwaarden (gemeente legt aan, geen draaiende delen naar buiten) of wordt de aanvraag geweigerd. Na acceptatie melding volgt nog een kostenberekening van de werkzaamheden voor het gedeelte van de inrit die in de openbare ruimte aangelegd wordt.

Rioolaansluiting

Er geldt in beginsel een verplichting voor ieder perceel om aangesloten te zijn op het riool. Hier moet een vergunning voor aan worden gevraagd. De aanvraag wordt getoetst op de aanwezige gegevens. Deze gegevens zijn nodig om de vergunning op te maken en een kostenplaatje te maken van het aansluiten op het riool. Voorwaarde bij het verlenen van de vergunningen is dat aanvrager de kosten voor het aansluiten van het riool voldoet.

Bij de vergunning wordt verwezen naar de wet- en regelgeving van het gebruik van aansluiting (denk aan het niet afvoeren dierlijke vetten bijvoorbeeld).

Flora- en Fauna-activiteit

Sommige dieren en planten zijn internationaal strikt beschermd in de Europese Unie. Om deze soorten te beschermen is er bij bouwwerkzaamheden in veel gevallen een vergunning nodig voor de Flora- en Fauna-activiteit. De Provincie is bevoegd gezag.

De gemeente Amersfoort heeft de ontheffing “Soortmanagementplan gebouwbewonende soorten” (SMP) gekregen van de Provincie. De ontheffing geldt voor een aantal diersoorten, te weten de huismus, gierzwaluw, huiszwaluw, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

Naast de gemeente kunnen ook particuliere woningeigenaren gebruikmaken van het SMP en de ontheffing.

Als de gemeente een aanvraag voor een bouwactiviteit ontvangt, toetsen we de Flora- en Fauna van het betreffende gebied. Casemanager toetst of er een Flora- en Fauna vergunning benodigd is of dat het doorschrijven van de ontheffing SMP afdoende is.

Indien er een Flora en fauna vergunningplicht is, vraagt casemanager advies (met instemming) aan de Provincie Utrecht. De gemeente verleend de vergunning vervolgens met de voorwaarden die de Provincie heeft gesteld.

Indien het doorschrijven van de ontheffing afdoende is meldt de casemanager dit aan de aanvrager en wordt advies gevraagd aan de ecoloog binnen de gemeente Amersfoort. Vervolgens worden er voorschriften opgenomen in de vergunning.

Toetsing bodem, bouwstoffen en grondstromen

De provincie Utrecht is binnen onze gemeente bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (nu opgenomen in de Omgevingswet). De gemeente is verantwoordelijk voor het beoordelen van meldingen voor het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Op basis van de Dienstverleningsovereenkomst worden deze meldingen door de RUD getoetst aan de eisen van de regionale bodembeheersnota en bodemkwaliteitskaart Besluit Bodemkwaliteit.

De kwaliteit van de bodem speelt een rol bij onder meer bouwplannen, herinrichting van stadsdelen, civieltechnische werken en het verlenen van milieuvergunningen. Bij deze activiteiten zijn diverse partijen betrokken. Al deze partijen (andere afdelingen binnen een gemeente maar ook aannemers, makelaars, projectontwikkelaars, etc.) hebben behoefte aan duidelijke regels voor het omgaan met de bodemkwaliteit en het toepassen van partijen grond en baggerspecie. Tevens willen de gemeenten hun bodemkwaliteit duurzaam beheren. Dat betekent onder meer dat hergebruik van vrijkomende grond efficiënt en verantwoord moet plaatsvinden. Het bodembeleid zoals beschreven in de beheersnota maakt het mogelijk om vrijkomende grond zoveel mogelijk in de regio te hergebruiken. Zowel de interne gemeentelijke uitvoeringsorganisatie als externe partijen hebben hier profijt van.

Door het vaststellen van de locatiespecifieke risico’s zal de staat en de kwaliteit van de bodem mogelijk meer een rol gaan spelen.

APV en Bijzondere Wetten

Evenementenvergunning of markten

Voor het organiseren van de meeste evenementen is een vergunning nodig. We maken een onderscheid in kleine (A), middelgrote (B) en grote (C) evenementen.

Aanvragen voor evenementen worden getoetst aan het evenementenbeleid en het vigerende geluidbeleid. Indien evenementen plaatsvinden in tijdelijke bouwwerken, vindt de toetsing plaats aan het BBL volgens de niveaus in het toetsingsprotocol.

Standplaatsvergunningen

Voor het verkopen of leveren van diensten op of aan de openbare weg is een standplaatsvergunning nodig. Ook als de standplaats tijdelijk is.

Horecavergunningen

Voor het exploiteren van een horecabedrijf is een exploitatievergunning nodig. Deze verplichting geldt ook wanneer er geen alcoholhoudende dranken worden geschonken of verkocht. Als er in het horecabedrijf wél alcoholhoudende dranken worden geschonken of verkocht, dan is ook een Alcoholwetvergunning nodig.

Alle ondernemers / stichtingen / verenigingen die een horecabedrijf overnemen of nieuw vestigen, moeten een exploitatievergunning aanvragen. Ook is er een nieuwe vergunning nodig als de rechtsvorm van het horecabedrijf verandert.

De aanvraag exploitatievergunning wordt getoetst aan relevante horecawetgeving en de bouwtechnische eisen uit het BBL.