Paragraaf 2.1 Maatwerkvoorziening via een pgb
Artikel 2. Voorwaarden pgb
Vervallen.
Artikel 3. Voorwaarden pgb sociaal netwerk
Vervallen.
Artikel 4. Kwaliteitseisen pgb professionele aanbieders
Professionele aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp die uit een pgb betaald worden, moeten aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als de door het college gecontracteerde professionele aanbieders. De kwaliteitseisen zijn als bijlages 3 en 4 opgenomen in de verordening. De kwaliteitseisen kunnen bij aanvang of verlenging van het pgb worden getoetst door onder andere een werkbezoek.
Artikel 5. Hoogte pgb
Vervallen.
Artikel 6. Tarief pgb
Vervallen.
Artikel 7. Uitbetaling pgb
1. Een pgb wordt door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) uitbetaald aan de zorgaanbieder.
2. Een eenmalig pgb wordt vooralsnog door de gemeente uitbetaald aan de leverancier.
Paragraaf 2.2 Terugvordering
Artikel 8. Algemeen
1. De begrippen die in de nadere regels over terugvordering gebruikt worden en die niet nader omschreven worden, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW/IOAZ, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verordening.
2. De bepalingen in deze paragraaf van de nadere regels zijn naast de terugvordering van een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW/IOAZ en Bbz 2004 ook van toepassing op een boete en een bijdrage op basis van de Wet kinderopvang en de kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp).
Artikel 9. Gebruikmaking wettelijke bevoegdheid
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot:
a. het herzien dan wel intrekken van het recht op een uitkering, indien de uitkering tot een te hoog bedrag of ten onrechte is verleend;
b. het invorderen en bruteren van te veel of ten onrechte verleende uitkering.
2. Van het bepaalde in lid 1 sub b wordt afgezien als het terug te vorderen bedrag lager is dan € 125,00 er geen andere terugvorderingen openstaan én de terugvordering niet meer verrekend kan worden met de periodieke uitkering voor de kosten van levensonderhoud inclusief vakantiegeld.
Artikel 10. Uitzonderingen die voortvloeien uit jurisprudentie
1. In afwijking van artikel 9 lid 1 vordert het college een door haar na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering, pgb of maatwerkvoorziening niet terug, voor zover deze uitkering, pgb of maatwerkvoorziening ook zes maanden na ontvangst van dit signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend, tenzij belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht heeft geschonden. Onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen.
2. In afwijking van artikel 9 aanhef en onder b wordt de terugvordering beperkt, bij het niet correct nakomen van de inlichtingenplicht die betrekking heeft op een overschrijding van het vrij te laten vermogen op basis van de Participatiewet, tot het bedrag dat te veel verstrekt zou zijn als de inlichtingenplicht wel correct nagekomen was. De uitkering wordt dan niet over de gehele periode van de schending van de inlichtingenplicht herzien/ingetrokken en teruggevorderd.
3. Een terugvordering wordt niet gebruteerd als de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en hem niet verweten kan worden dat de betaling van de schuld niet voldaan is in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.
Paragraaf 2.3 Invordering
Artikel 11. Terugbetaling en afloscapaciteit
1. Als de belanghebbende een uitkering ontvangt van de gemeente voor de kosten van levensonderhoud, dan wordt de vordering, in overeenstemming met de artikelen 60 van de Participatiewet en 28 van de IOAW/IOAZ, verrekend met deze uitkering.
2. Rekening houdend met de beslagvrije voet, wordt bij verrekening de afloscapaciteit vastgesteld op 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of netto grondslag IOAW/IOAZ.
3. Als verrekening van de vordering niet (meer) mogelijk is, dan wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld (het restant van) de vordering volledig te voldoen binnen zes weken of, wanneer betaling in één keer niet mogelijk is, in maandelijkse termijnen met in achtneming van de wettelijk geldende beslagvrije voet.
4. Vervallen.
5. Vervallen.
Artikel 12. Uitstel van betaling
1. Het college kan uitstel van betaling verlenen als de belanghebbende daar om vraagt, omdat hij van mening is de eerder vastgestelde periodieke betalingsverplichting niet te kunnen voldoen.
2. Als niet eerder uitstel van betaling gegeven is én uitstel van betaling gevraagd wordt voor een periode korter dan drie maanden, dan kan het verzoek tot uitstel verleend worden zonder nader onderzoek. In elke andere situatie vindt nader onderzoek plaats naar de financiële situatie. Aan uitstel van betaling kunnen voorwaarden verbonden worden.
3. Als een zelfstandige op grond van het Bbz 2004 een lening voor bedrijfskrediet verstrekt heeft gekregen, is artikel 41 Bbz 2004 van toepassing.
Artikel 13. Niet voldoen aan betalingsverplichtingen
Als de belanghebbende niet aan de betalingsverplichtingen voldoet of als hij de voorwaarden waaronder uitstel van betaling gegeven is niet nakomt en de oorspronkelijke betalingstermijn verstreken is, dan neemt het college invorderingsmaatregelen volgens de artikelen 4:112 e.v. van de Awb.
Artikel 14. Rente en kosten
Als het college de vordering overdraagt aan het incassobureau of de deurwaarder, dan wordt de vordering verhoogd met wettelijke rente en kosten van invordering. Voor de hoogte van kosten van invordering wordt aangesloten bij de artikelen 4:113 en 4:120 van de Awb.
Paragraaf 2.4 Kwijtschelding
Artikel 15. Algemeen
Kwijtschelding is niet mogelijk bij:
a. boetevorderingen waarbij sprake is van opzet of grove schuld en fraudevorderingen waarbij een boete is opgelegd of aangifte is gedaan;
b. vorderingen die gedekt worden door pand of hypotheek voor zover die vorderingen op die zaken verhaald kunnen worden;
c. bijstand welke verstrekt is in de vorm van een lening;
d. vorderingen die zijn ontstaan, omdat belanghebbende later met betrekking tot dezelfde periode over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Artikel 16. Kwijtschelding van vorderingen en afzien van terugvorderingen die niet het gevolg zijn van schenden inlichtingenplicht.
1. Het college kan na een schriftelijk verzoek van de belanghebbende een vordering geheel of gedeeltelijk kwijtschelden als de belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldaan heeft;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldaan heeft, maar het achterstallige bedrag over die periode, met de daarover eventueel verschuldigde rente en kosten, alsnog voldoet;
c. gedurende tien jaar geen betalingsverplichtingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment gaat verrichten.
2. Een besluit om een vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, als bedoeld in lid 1 sub c. wordt genomen na individuele beoordeling, waarbij het niet (verder) kunnen terugbetalen niet aan de belanghebbende te wijten is.
Paragraaf 2.5 Samenhang handhaving op grond van de inburgeringswet en Participatiewet
Artikel 17. Kwijtschelding bij schuldregeling
1. Het college werkt altijd mee aan een schuldregeling als te voorzien is dat de belanghebbende zijn schulden niet kan betalen en zonder dit besluit geen schuldregeling tot stand komt.
2. Het college kan bij een schuldregeling een vordering alleen kwijtschelden tegen finale kwijting als:
a. er geen sprake is van schenden inlichtingenplicht;
b. Er sprake is van schenden inlichtingenplicht waarbij géén sprake is van opzet of grove schuld of het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht waarbij geen boete is opgelegd of aangifte is gedaan.
3. Het college kan bij meewerken aan een schuldregeling een boetevordering
kwijtschelden tegen finale kwijting als deze boete niet het gevolg is van opzet of
grove schuld en er geen sprake is van recidive.
4. Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken als:
a. binnen twaalf maanden geen schuldregeling tot stand komt die voldoet aan de in lid 1 gestelde eisen;
b. de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichtingen niet nakomt of als er onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt zijn.
Artikel 17a. Samenhang handhaving op grond van de inburgeringswet en Participatiewet
1. Wanneer een inburgeringsplichtige een bijstandsuitkering (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de verordening zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid onder a Participatiewet. De gemeente legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op grond van de wet op.
2. Wanneer een inburgeringsplichtige die een bijstandsuitkering ontvangt zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, legt de gemeente bij voorkeur een boete op grond van de wet op. De gemeente verlaagt in dat geval voor dezelfde gedraging de bijstandsuitkering niet.
3. Bij de keuze tussen i) handhaving op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en ii) handhaving op grond van de wet via een boete weegt de gemeente ook af welke wijze van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, naar haar oordeel het best bijdraagt aan het beoogde effect, te weten het succesvol voltooien van het inburgeringstraject.
4. Wanneer een gedraging leidt tot een overtreding van de Participatiewet en artikel 18 of 18 b van de Participatiewet laat de gemeente geen ruimte om af te zien van verlaging van de bijstand, dan legt de gemeente een maatregel op en geen boete op grond van de wet.
5. In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de wet wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet.
Artikel 17b. Verrekening boete met bijstandsuitkering
De gemeente kan de bestuurlijke boete die op grond van de wet aan de inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de algemene bijstandsuitkering. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5 procent van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag.