Omdat een windturbine risico’s met zich meebrengt voor de directe omgeving, zoals val- en werpgevaar, bestaan er minimale afstanden tussen windturbines en verschillende (beperkt) kwetsbare objecten.

In het Handboek Risicozonering Windturbines (2014) zijn minimumafstanden opgenomen voor panden, hoogspanningsleidingen, buisleidingen, risicobronnen, spoorwegen, vaarwegen en hoofdwegen. Bij de plaatsing van een windturbine dient rekening te worden gehouden met de minimumafstand tot deze objecten. Vanuit de Regionale Energie Strategie metropoolregio Eindhoven (RES MRE) is een minimale afstand opgenomen van 400m tot woningen. Daarnaast hanteert Rijkswaterstaat de beleidsregel dat er minstens vijftig meter afstand tussen een windturbine en een vaarweg moet worden aangehouden, om hinder van radarapparatuur te voorkomen. Ook kunnen windturbines, door hun hoogte en draaiende wieken, verstoring veroorzaken op de beelden van radarsystemen van radarstations van Defensie. Op voorhand is niet te bepalen of een verstoring acceptabel is, daarom dient bij het realiseren van windturbines hoger dan 90 meter NAP op verstoring getoetst te worden.

De normen van de rijksoverheid van oktober 2023 geven aan dat de afstand tot windturbinegevoelige objecten minimaal 2x de tiphoogte moet zijn. In veel Europese landen is dit meer.

Bij bepaling van milieueffecten gaat het om de grootte van de bron en de impact die dit heeft op de omgeving. In deze zin is er logischerwijs ook een relatie tussen impact en de tiphoogte van de windmolen als bron qua milieueffect. Een veilige en gezonde leefomgeving is hierbij leidend.