1.. Het aanbieden van huishoudelijk restafval in een inzamelvoorziening geschiedt op zodanige wijze dat geen afvalstoffen buiten de inzamelvoorziening achterblijven.

2.. De inzamelvoorziening wordt na het deponeren van de afvalstoffen goed gesloten.

3.. Het huishoudelijk restafval wordt zodanig in de voorziening achtergelaten dat er geen uitsteeksels zijn die aanleiding kunnen geven tot verwondingen.

4.. Het huishoudelijk restafval bevat geen stoffen of objecten die anderszins een direct gevaar voor mens, dier of omgeving kunnen opleveren.