Voor veel activiteiten die plaatsvinden in de fysieke leefomgeving is toestemming nodig van het bevoegd gezag. Deze toestemming gaat in de regel gepaard met voorschriften waaraan moet worden voldaan: ‘de vergunning’.

De vergunningenstrategie stelt ons in staat om: binnen de gestelde wettelijke termijnen een besluit te nemen op een aangevraagde vergunningplichtige activiteit, heldere, transparante en handhaafbare vergunningen op te stellen en deze binnen de gestelde wettelijke termijn te verlenen en tevens om binnen de termijnen te komen tot een besluit op een aanvraag of afhandeling van een melding. De reikwijdte van deze strategie is beperkt tot de in Asten meest voorkomende vergunningen (waaronder ook meldingen en ontheffingen en informatieplichten worden begrepen), te weten de omgevingsvergunning voor de:

  • - Activiteit met betrekking tot bouwwerken: het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk. Hieronder vallen de bouwactiviteit voor het bouwtechnische deel en de omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel. Het (ruimtelijk) deel noemen we in de Omgevingswet een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk (“bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk”).
  • - Buitenplanse omgevingsplan activiteit (BOPA): wanneer men grond of een gebouw op een andere manier wil gebruiken dan in het omgevingsplan staat, kan het plan met deze afwijking toch worden uitgevoerd.
  • - Slopen van een bouwwerk: Als er gesloopt wordt door particulieren en er wordt meer dan 10 m3 sloop afval vrij of er wordt asbest verwijderd, dan moet er een sloopmelding worden gedaan.
  • - Activiteit vellen houtopstand of kappen van bomen: voor het kappen van bepaalde soorten bomen en of bomen in bepaalde gebieden is een omgevingsvergunning nodig. Zie de lijst beschermwaardige bomen.
  • - Activiteit aanleggen: in een omgevingsplan kan een verbod worden ingesteld dat binnen een bepaald gebied bepaalde werken die geen gebouw zijn of bepaalde werkzaamheden uit te voeren zonder vergunning. In de voorwaarden van het omgevingsplan is dan echt gegeven wanneer een aanlegvergunning nodig is. Voorbeelden zijn het aanleggen van wegen of paden, het graven van sloten of het ophogen of afgraven van grond.
  • - Activiteit Rijks of gemeentelijke monumenten: voor het aanpassen van een pand dat een Rijks, provinciaal of gemeentelijk monument is, is in omgevingsvergunning nodig.

Naast de omgevingsvergunningen op basis van de Omgevingswet gaat deze strategie ook over de wetten en (gemeentelijke) regelingen die van toepassing zijn op de beoordeling van de vergunningen in het kader van de APV en bijzondere wetten.

  • - Evenementen: Voor het organiseren van een evenement kunnen verschillende vergunningen en ontheffingen gelden, zoals een evenementenveBrgunning.
  • - Exploitatie: Voor de exploitatie van een horecabedrijf of slijterij is een Alcoholwetvergunning vereist. Deze vergunning stelt eisen aan de inrichting en de leidinggevenden. Het is belangrijk dat de leidinggevenden voldoen aan bepaalde criteria, zoals leeftijd, zedelijkheidseisen en kennis van sociale hygiëne.
  • - Alcoholwet: Ondernemers met een horecabedrijf en/of slijtersbedrijf, hebben een alcoholwetvergunning nodig. Supermarkten en cafetaria’s mogen zonder alcoholwetvergunning zwak alcoholhoudende drank verkopen als de drank niet ter plekke ingeschonken en opgedronken wordt. Als de aanvrager alcohol wil verkopen of schenken, moet een tapontheffing aangevraagd worden bij de gemeente. Dit geldt voor zwak-alcoholhoudende dranken (minder dan 15% alcohol). Mogelijk is er ook een evenementenvergunning nodig.
  • - Wet op de kansspelen: Voor het organiseren van kansspelen, zoals loterijen of casinospelen, zijn specifieke vergunningen vereist.
  • - Wet kinderopvang: De Wet kinderopvang regelt de kwaliteit en veiligheid van kinderopvang. Als de aanvrager een kinderopvangvoorziening wil exploiteren, is een vergunning nodig.
  • - Basisregistratie adressen en gebouwen en Basisregistratie personen: Dit heeft betrekking op de registratie van adressen en gebouwen. Hoewel dit geen vergunning is, is het belangrijk om correcte gegevens te hebben voor de (bedrijfs)locatie. Dit geldt ook voor de Basisregistratie Personen. De vergunningverleners hebben toegang tot persoonsgegevens om te verifiëren wie de eigenaar of gebruiker van een bepaald project is. Dit helpt bij het waarborgen dat vergunningen correct worden toegekend en dat de juiste persoon verantwoordelijk wordt gehouden voor naleving van de regelgeving.
  • - Wet goed verhuurderschap: Deze wet heeft betrekking op verhuur van woningen en stelt eisen aan verhuurders. Het is belangrijk om op de hoogte te zijn van uw verplichtingen als verhuurder.
  • - Wet Bibob: De Wet Bibob (Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur) wordt gebruikt om te beoordelen of een vergunning kan worden verleend op basis van integriteitsrisico’s.

Uitgangspunten

Wij stellen ons proactief op en proberen vanuit een klantgerichte houding:

  • - de gewenste activiteit mogelijk te maken,
  • - rekening te houden met de belangen van omwonenden;
  • - voor welke activiteiten een andere toestemming geldt;
  • - en te handelen namens algemene belangen die soms zelf geen ‘mond’ hebben (bijvoorbeeld veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, cultuurhistorie, enz.).

Juridisch kader

In de wet- en regelgeving is bepaald voor welke activiteiten inwoners en ondernemers:

  • - een vergunning moeten aanvragen om ze te mogen uitvoeren;
  • - welke activiteiten gemeld moeten worden;
  • - voor welke activiteiten een informatieplicht geldt;
  • - en welke activiteiten vergunningsvrij zijn.

De Omgevingswet is de basis voor een groot deel van de vergunningen in het domein van de fysieke leefomgeving. De Algemene plaatselijke verordening (APV) is de basis voor de vergunningen en ontheffingen in de openbare ruimte. Deze geeft voorschriften op het gebied van de openbare orde en veiligheid in de breedste zin van het woord. Hierbij valt te denken aan: verkeerszaken, horeca-aangelegenheden en bescherming van het milieu.

De wettelijke regelgeving die het toetsingskader regelt voor de omgevingsvergunning is o.a. neergelegd in het omgevingsplan (van rechtswege), de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit, de Wet kwaliteitsborging, het Besluit bouwwerken leefomgeving, de Wet Bibob en gemeentelijke verordeningen.

Procedures en termijnen

Nadat een initiatiefnemer de aanvraag heeft ingediend, geldt een termijn van 8 weken voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag. Dit betreft geen fatale termijn, maar een termijn van orde. Voor de gemeente bestaat de mogelijkheid om de procedure te verlengen met 6 (in totaal 8 + 6 werken= 14 weken). De activiteit met de zwaarste procedure bepaalt bij een meervoudige aanvraag welke procedure de gemeente dient toe te passen. In het geval van advies met instemming wordt de aanvraag met 4 weken verlengd.

Op het moment dat een aanvraag niet compleet is, kunnen wij een verzoek om aanvulling doen. Hierbij wordt de termijn van de behandeling op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stilgelegd, totdat de aanvullingen volledig zijn ingediend.

Na het doorlopen van de procedure of het verlopen van de termijn wordt er een besluit genomen op de ingediende aanvraag. Tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb staan rechtsmiddelen open.

De uitgebreide procedure

In sommige gevallen kan in een uitgebreide procedure een termijn van 6 maanden van toepassing zijn, in plaats van de hiervoor gestelde 8 weken. Hier is sprake van in een van de drie hieronder aangegeven gevallen:

  • - De gevallen uit artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit (verder: Ob) waarvoor altijd een uitgebreide procedure van toepassing is.
  • - Het college van B&W kan een uitgebreide procedure van toepassing verklaren op het moment dat daar gegronde redenen voor zijn (artikel 16.65 lid 4 van de Omgevingswet). In dit artikel wordt toegelicht dat het bevoegd gezag dit kan bepalen als:
    • - Het een activiteit betreft die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving; en
    • - waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. In dat geval stelt het college, voorafgaand aan het nemen van het besluit, de aanvrager in de gelegenheid om zienswijze daarover naar voren te brengen. Het college kan beleid opstellen waarin zij activiteiten benoemd waarvoor zij de uitgebreide procedure willen toepassen.
  • - De aanvrager kan zelf verzoeken om of instemmen met de uitgebreide procedure.

Verplichte participatie en adviesrecht van de raad

Door middel van participatie kan inzicht in de belangen van omwonenden en belanghebbenden worden gegeven. Maar participatie betekent niet dat de omwonenden daadwerkelijk zeggenschap krijgen over het nieuwe initiatief. Het meepraten aan een initiatief betekent niet meebeslissen.

In de meeste gevallen is participatie niet verplicht. De gemeenteraad heeft op 25 januari 2022 het besluit genomen: Adviesrecht gemeenteraad, verplichte participatie en delegatie onder de Omgevingswet. Op dezelfde gevallen waar het adviesrecht van toepassing is verklaard, is ook participatie verplicht.

Toetsingskaders en werkwijze Omgevingswetvergunningen

Hieronder volgt de werkwijze van de gemeente in het kader van de Omgevingswet met betrekking tot de omgevingsvergunningen en meldingen voor bouwen, afwijken omgevingsplan (hierna buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)), sloop en monumenten. Voor de meest voorkomende omgevingsaanvragen wordt inzichtelijk gemaakt wat het toetsingskader is en wat onze werkwijze is.

Bouwen

Toetsingskader

In artikel 5.1 lid 2 onder a. van de Omgevingswet vinden we de activiteit bouwen. In dit lid 2 staat dat voor de bouwactiviteit een vergunning nodig is voor zover het gaat om een bij AMvB aangewezen geval. Dit houdt in dat een bouwactiviteit pas vergunningplichtig is als deze dus specifiek is genoemd in deze AMvB. De AMvB waarnaar wordt verwezen, is het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In paragraaf 2.3.2 van het Bbl staan de vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit.

Met de Omgevingswet is bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert twee activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Deze scheiding noemen we 'de knip'.

Afbeelding bij dit artikel

Een initiatiefnemer die een bouwactiviteit wil verrichten dient bij eenvoudige bouwwerken (de zogenaamde gevolgklasse 1) voor het bouwtechnische deel een melding te doen bij de gemeente (de technische bouwactiviteit) en voor complexe bouwwerken dient men een omgevingsvergunning aan te vragen.

Technische bouwactiviteit

Het gaat hier over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Door de knip zijn er meer technische bouwactiviteiten vergunningsvrij, omdat ruimtelijke randvoorwaarden niet langer een rol spelen.

Als een vergunning nodig is voor een (technische) bouwactiviteit volgt toetsing aan de technische regels voor bouwactiviteiten in het Bbl (bijvoorbeeld voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid, de daglichttoetreding en de energiezuinigheid van bouwwerken). De toets is te vergelijken met de toets die vroeger gedaan werd aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Voor de gevolgklasse 2 en 3 blijft de vergunningsplicht voor de technische bouwactiviteit bestaan en wordt de aanvraag getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Alle bouwwerken moeten aan de technische eisen in dit Besluit voldoen. Als er een technische toets nodig is voor een aanvraag dan wordt deze uitgevoerd door de ODZOB.

Voor meldingsplichtige (technische) bouwactiviteiten wordt de bouwtechnische toets aan het Bbl niet meer door gemeenten maar door een onafhankelijke kwaliteitsborger uitgevoerd.

Landelijk is bepaald of voor een technische bouwactiviteit een vergunning of melding nodig is, dan wel of dit vergunningsvrij is.

De (ruimtelijke) toets van “bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk” aan het omgevingsplan noemen we een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Voorbeelden zijn de bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Maar ook regels over het uiterlijk van een bouwwerk (welstand) en de functietoedeling in het omgevingsplan. Wij kunnen in ons omgevingsplan bepalen of een vergunning nodig is voor een (ruimtelijke) omgevingsplanactiviteit. Zo kunnen wij bijvoorbeeld in ons omgevingsplan bepalen dat een bouwactiviteit vergunningsvrij is of van een meldings- of informatieplicht is voorzien. Onder het ruimtelijk deel vallen alle regels die eerder in het bestemmingsplan, de bouwverordening en/of de welstandsnota opgenomen waren en die allen over zijn gegaan naar het omgevingsplan.

Werkwijze

Door de knip zijn hieronder twee werkwijze omschreven; de bouwmelding en de vergunning activiteit bouw

  • - Werkwijze melding bouw:

    De melding bouwactiviteit is een nieuwe processtap voor de organisatie. Deze meldingen worden door de vergunningverleners beoordeeld. We registeren de melding, bevestigen de ontvangst, checken de gevolgklasse, het gekozen instrument en de kwaliteitsborger. Vervolgens maken we een beoordeling van het borgingsplan (inclusief risicobeoordeling) met eventueel afgesproken informatie- en stopmomenten. De vergunningverleners zoeken contact met de initiatiefnemer bij een onvolledige of niet-correcte melding om aan te geven wat er ontbreekt aan de melding.

  • - Werkwijze vergunningverlening activiteit bouw:

    Als een vergunning nodig is voor een technische bouwactiviteit maken wij gebruik van het toetsingsprotocol. In dit toetsingsprotocol is voor het behandelen en beoordelen van aanvragen voor de activiteit bouw een bepaalde mate van diepgang in de bouwtechnische toets aan het Bbl aangebracht. Het is onmogelijk om vooraf aan te tonen dat een bouwwerk 100% zal gaan voldoen aan het Bbl. We vergunnen onze aanvragen, voor wat betreft de toets aan het Bbl, daarom risicogestuurd. Wij maken bij het toetsen aan het Bbl gebruik van de BRIS-applicatie. Voor de toetsing van aanvragen wordt gebruikt gemaakt van Bris, een webapplicatie die gebaseerd is op het Landelijk Toetsingsprotocol. Door het werken met digitale protocollen die automatisch worden bijgewerkt conform nieuwe wettelijke vereisten zijn de interne risico’s afgedekt.

De toetsniveaus: De diepgang van de toets kan variëren van “geen toets” tot “volledig toetsen”: Niveau 1. Uitgangspuntentoets / snel toetsen. Getoetst wordt of alle stukken beschikbaar zijn om de uitgangspunten van de aanvraag te kunnen beoordelen. De toets beperkt zich tot de aangeleverde stukken (ontvankelijkheidtoets). Dit niveau is de minimale invulling. Niveau 1 wordt toegepast wanneer de kans en de gevolgen zeer gering zijn. Niveau 2. Visueel toetsen. Getoetst wordt of de uitgangspunten op de aangeleverde stukken in de juiste vorm zijn. Per te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. Niveau 2 is het basisniveau. Niveau 3. Representatief toetsen. Per te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. Op basis van de visuele toets wordt bepaald welke aspecten moeten worden nagerekend. Het bepalen van de belangrijkste berekeningen blijft een taak van de toetser. Niveau 4. Volledig toetsen. Getoetst wordt of de uitgangspunten van de aangeleverde stukken in de juiste vorm zijn en of van elk te toetsen aspect de uitgangspunten juist zijn. Van elk te toetsen aspect worden de uitkomsten gecontroleerd of nagerekend. Niveau 4 komt in de matrix alleen voor met betrekking tot het toepassen van zogenaamde ‘gelijkwaardige oplossingen’.

Informatieplichten

Voor bepaalde activiteiten is wettelijk bepaald dat een initiatiefnemer voordat deze gaat bouwen informatie moet geven, zoals stikstofmaatregelen of bouw- en sloopveiligheid.

We registreren de ontvangen informatie en sturen een ontvangstbevestiging. Ook beoordelen we of de informatieplicht aan de wettelijke eisen voldoen.

(Buitenplanse) Omgevingsplanactiviteit

Toetsingskader

Een aanvraag om omgevingsvergunning wordt getoetst aan het omgevingsplan. Een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan, maar waar toch een vergunningplicht voor geldt, heet dan een binnenplanse omgevingsactiviteit. Er is sprake van buitenplanse omgevingsactiviteit als het plan in strijd is met het omgevingsplan.

Werkwijze

Indien het gaat om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit toetsen wij de aanvraag aan alle regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de verordeningen met een fysieke component, zoals de APV. Indien de aanvraag past binnen de regels geven we de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit af.

Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) toetsen wij deze aan de toepasselijke instructieregels in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de toepasselijke instructieregels in de provinciale verordening én beoordelen wij of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het begrip ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ volgt het begrip ‘een goede ruimtelijke ordening’ op.

Binnen onze gemeente gebeurt deze evenwichtige toedeling van functies aan locaties via een beoordeling van een team bestaande uit verschillende disciplines dat wekelijks samenkomt. Alle ontwikkelingen die niet passend zijn worden in beginsel door dit team besproken en beoordeeld op haalbaarheid. We leveren hiermee maatwerk per geval. De plannen waar meerdere stakeholders betrokken zijn dan worden voorgelegd aan een “regionale omgevingstafel”. Hiervoor hebben we in de regio Zuidoost samenwerkings- en procesafspraken gemaakt.

Sloop

Toetsingskader

We toetsen aan de regels die staan in het omgevingsplan bij de aanvraag voor een sloopactiviteit. Een sloopactiviteit (inclusief asbest) voert de ODZOB uit en hiervoor is een aparte werkwijze afgesproken op regionaal gebied; ROK asbest.

Werkwijze

De sloopactiviteit heeft vaak een relatie tot andere activiteiten, denk hierbij aan het volgende:

  • - Een sloopactiviteit gaat in veel gevallen samen met een bouwactiviteit;
  • - is het bouwwerk dat wordt gesloopt een rijksmonument? Dan gelden voor het slopen de regels voor de rijksmonumentenactiviteit;
  • - de gemeente kan in het omgevingsplan extra regels stellen. Bijvoorbeeld ter bescherming van een stads- en dorpsgezicht. Of om te voorkomen dat open ruimten in bebouwing ontstaan.

Monumenten, beschermd stads- of dorpsgezichten, overig cultureel erfgoed en werelderfgoed

Toetsingskader

Bij aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten, wordt beoordeeld of er geen onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk cultuurhistorisch erfgoed. De gemeente kent wat betreft het beoordelingskader verschillende regelingen. We hebben een welstandsnota waarin regels staan. Onze gemeente heeft op de Erfgoedverordening gemeente Asten 2018 vastgesteld. Met deze verordening wordt de aanwijzing en de bescherming van gemeentelijk erfgoed geborgd. In deze verordening is ook een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een gemeentelijk monument. Ook het herstellen of gebruiken op een wijze waardoor het monument wordt ontsierd, is verboden zonder omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning wordt slechts verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Het belang van de monumentenzorg wordt beoordeeld door een monumentencommissie met deskundige leden op het gebied van cultureel erfgoed.

De bescherming van rijksmonumenten is geregeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet, waarin is geregeld dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een rijksmonumentenactiviteit te verrichten.

Werkwijze

Voor het beschermen van het beschermd dorpsgezicht zijn hiervoor regels in het omgevingsplan opgenomen. Ook de bruidsschat bevat daarnaast aanvraagvereisten met betrekking tot het ontsieren, slopen of veranderen van monumenten. Het betreft monumenten of beschermde stads- en dorpsgezichten. De casemanagers handelen de aanvragen voor het wijzigen van monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten af. Ze toetsen de aanvragen aan onze Welstandsnota en het omgevingsplan.

Toetsingskaders en werkwijze APV & bijzondere wetten

Hieronder worden de wetten en (gemeentelijke) regelingen uiteengezet die van toepassing zijn op de beoordeling van de vergunningen in het kader van de APV en bijzondere wetten. De APV bevat bepalingen die dienen ter bescherming van zaken als de openbare orde, de veiligheid en het milieu. De APV biedt de mogelijkheid tot het verlenen van vergunningen en ontheffingen van verboden. In het algemeen wordt de keuze tussen vergunning en ontheffing bepaald door de aard van de activiteiten. Zijn die onder bepaalde voorwaarden aanvaardbaar (of zelfs gewenst), dan ligt een vergunningenstelsel voor de hand. Gaat het in de regel om ongewenst gedrag, dat onder bepaalde omstandigheden bij de wijze van uitzondering aanvaardbaar is, dan valt te denken aan een systeem van ontheffingen. Het zal daarbij vaak gaan om het inperken van de gevolgen van de activiteit.

Evenementen

Toetsingskader

In de APV is een vergunningplicht opgenomen voor evenementen. Daarin staat dat het verboden is om zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Voorbeelden zijn een vlooienmarkt, festival, braderie, optocht, straatfeest, sponsorloop etc.

Werkwijze

De evenementenvergunningen worden getoetst aan de kaders zoals opgenomen in de APV en het evenementenbeleid van de gemeente Asten. Voor meldingsplichtige en vergunningsvrije evenementen (minder 150 personen) moet de aanvrager drie weken van tevoren een melding doen. De aanvrager dient 8 weken van tevoren een aanvraag voor een evenement (150 tot 500 personen) in te dienen. Bij een grootschalig evenement (meer dan 500 personen) ontvangen is dit twaalf weken van tevoren. Als de aanvraag niet compleet is, laat de gemeente weten binnen welke termijn de ontbrekende stukken alsnog ingeleverd dienen te worden. Zolang er stukken ontbreken, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Als tijdens het evenement (zwak-) alcoholhoudende dranken geschonken wordt op een locatie die niet valt onder de Alcoholwetvergunning dan hebt is een ontheffing nodig. Via de website kan hiervoor het aanvraagformulier ontheffing artikel 35 Alcoholwet worden ingevuld.

Voor het brandveilig gebruik van 'niet-bouwwerken' zoals tenten bij evenementen, tribunes, e.d. zijn landelijke regels. Hiervoor is het mogelijk dat er melding moet worden gedaan. De melding moet ten minste vier weken voor de start van de activiteit worden ingediend bij de gemeente. Hiervoor dient het formulier brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen te worden ingevuld.

Wij toetsen aanvragen voor evenementen op basis van een risicoscan die we samen met de Veiligheidsregio hebben ontwikkeld. Afhankelijk van de ingeschatte veiligheidsrisico’s, toetsen we deze aanvragen meer of minder diepgaand. Meldingsplichtige (vergunningsvrije) evenementen onderwerpen we niet aan een risicoscan. Uit de risicoscan komt naar voren of een evenement regulier, een aandachtsevenement, of een risicovol evenement is. Op basis van deze scan bepalen we de behandelaanpak van het evenement.

We vullen de scan in met oog op risico’s voor de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en/of het milieu. We voeren de risicoscan uit aan de hand van de evenementenaanvraag, evaluaties van eerdere edities (indien beschikbaar), vergelijkingen met soortgelijke evenementen en verkregen informatie van de hulpverleningsdiensten. De uitkomst van de scan geeft aan of er specifieke risico’s aanwezig kunnen zijn die nadere advisering vragen. We houden geen rekening met specifieke omstandigheden van het evenement en geven geen uitsluitsel over de aanwezigheid van specifieke risico’s. Dit laatste vindt plaats tijdens de risico-inventarisatie en analyse tijdens de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag door ons en onze adviespartners.

De uiteindelijke classificatie op basis van de risicoscan is bepalend voor de behandelaanpak, de behandeltermijn en de benodigde inbreng van te betrekken adviespartners. Mogelijk is dat gedurende de behandeling van de aanvraag en het adviestraject de behandelaanpak wordt gewijzigd vanwege nieuwe feiten.

Exploitatie

Toetsingskader

In de APV is een vergunningplicht opgenomen voor het exploiteren van openbare inrichting (horecazaak). In artikel 2:28 en verder van de APV staan de toetsingskaders en de aanvullende weigeringsgronden genoemd. Verder is in de APV bepaald dat er voor het hebben van terrassen ook een exploitatievergunning nodig is. Horecaterrassen hebben in de regel invloed op de woonomgeving. In de exploitatievergunning wordt aangegeven wat de openingstijden zijn van de openbare inrichting en wie de leidinggevende zijn. Deze dienen ten alle tijden aanwezig te zijn. Een nadere regeling is vastgelegd in de Beleidsplan Horeca, Sport en Recreatie. De APV bevat verder nog wat bepalingen omtrent activiteiten die binnen een openbare inrichting niet mogen plaatsvinden. Worden deze bij een controle wel aangetoond dan kan de exploitatievergunning worden ingetrokken.

Werkwijze

We toetsen de aanvraag aan de vereisten uit de APV en het beleidsplan Horeca, Sport en Recreatie-inrichtingen, het omgevingsplan en de Wet Bibob. Deze toetsing wordt uitgevoerd door vergunningverlening APV.

Alcoholwet

Toetsingskader

In de Alcoholwet en het Alcoholbesluit zijn (vergunning)regels opgenomen voor bedrijven en para commerciële rechtspersonen waar alcoholhoudende dranken worden verstrekt. Ook bevat de wet regels over het uitvoeren van werkzaamheden bij dergelijke bedrijven en rechtspersonen. Het oogmerk van de Alcoholwet is gezondheid. De overheid voert een alcoholmatigingsbeleid. De strategie is geen of vermindering bedrijfsmatige verstrekking alcohol aan jeugd.

Horeca- en slijtersbedrijven, maar ook paracommerciële rechtspersonen (zoals sportkantines en buurt- en dorpshuizen) hebben, op basis van de Alcoholwet, een vergunning van de burgemeester nodig voor het verstrekken van alcoholhoudende drank.

In de Alcoholwet is bepaald welke stukken bij de vergunningaanvraag moeten worden ingediend en geeft hierbij het wettelijke toetsingskader aan. Elke aanvraag wordt volledig getoetst en zo nodig worden er voorschriften verbonden aan de vergunning. Vanuit het wettelijke toetsingskader is er een beoordeling van het levensgedrag. Bij relevante antecedenten van (toekomstige) leidinggevenden van het horecabedrijf of het slijtersbedrijf vindt altijd afstemming met de politie plaats.

Bij verordening kunnen regels worden gesteld over paracommerciële rechtspersonen. In de vijfde afdeling uit hoofdstuk 2 van de APV zijn hierover regels opgenomen. Deze regels hebben betrekking op regulering van deze rechtspersonen.

Werkwijze

We toetsen de aanvraag aan de vereisten uit de APV en het beleidsplan Horeca, Sport en Recreatie en de wet Bibob. Deze toetsing wordt uitgevoerd door de vergunningverlener APV.

Wet op de Kansspelen

Toetsingskader

In de Wet op de Kansspelen staan regels omtrent vergunningen voor kansspelen, zoals loterijen, gokken en casino’s. In de APV zijn in afdeling 7 nadere regels gesteld voor wat betreft kansspelen en speelgelegenheden.

Werkwijze

We toetsen de aanvraag aan de vereisten uit de APV, Alcoholwet en de eisen uit de Wet op de Kansspelen. Deze toetsing wordt uitgevoerd door de vergunningverlener APV.

Basisregistratie Adressen en gebouwen (BAG) en Basisregistratie personen (Brp)

Toetsingskader

De gemeente stelt gegevens over adressen en gebouwen centraal beschikbaar via de Landelijke Voorziening BAG, wij zijn bronhouder. Die taken omvatten onder meer:

  • - Het bijhouden van een geautomatiseerde basisregistratie adressen en gebouwen
  • - Het indelen en registreren van het grondgebied van de gemeente in een of meer woonplaatsen
  • - Het vaststellen en registeren van openbare ruimten (straatnaamgeving)
  • - Het toekennen en registeren van nummeraanduidingen aan verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen (huisnummering)
  • - Het afbakenen van panden, verblijfsobjecten en standplaatsen

Werkwijze

De uitvoering van de taken voor de BAG en BRP zijn wettelijk verplicht. Deze taak wordt door een andere afdeling uitgevoerd (I&A). De vergunningverleners en toezichthouders maken wel gebruik van de gegevens uit de BAG en Brp.

Wet Bibob

Toetsingskader

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vallen alle vergunningplichtige omgevingsplanactiviteiten onder de reikwijdte van de Wet Bibob. Ook gebruikswijzigingen in gebouwen kunnen nu binnen de reikwijdte van de Wet Bibob komen te vallen. Met de Wet Bibob beoogt de wetgever om te voorkomen dat overheidsorganen ongewild criminele activiteiten faciliteren bij het verlenen van bepaalde vergunningen. De Wet Bibob maakt het voor bestuursorganen mogelijk om een aangevraagde beschikking te weigeren of (gedeeltelijk) in te trekken als sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning mede gebruikt zal worden om (i) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten (ook wel de ‘a-grond’ genoemd), of (ii) strafbare feiten te plegen (ook wel de ‘b-grond’ genoemd). Een weigering of intrekking moet goed worden gemotiveerd. Daarom wordt vaak advies gevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob, een onafhankelijk expertisebureau dat integriteit screenings uitvoert. Bevoegde gezagen mogen in beginsel uitgaan van de expertise van dit bureau. Onder de Wet Bibob wordt onder ‘strafbare feiten’ overigens ook verstaan een feit waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

Werkwijze

De gemeentelijke Bibob-coördinator voert voor de in het gemeentelijke Bibob-beleid aangewezen gevallen de Bibob-toets uit. Dit gebeurt aan de hand van het daarvoor bestemde formulier en conform het beleid. Bij twijfel kan het landelijk bureau Bibob ook geraadpleegd worden.

Overige werkzaamheden in het kader van vergunningverlening

De volgende werkzaamheden zijn overige werkzaamheden die mogelijk zijn in het kader van vergunningverlening: verlengen tijdelijke omgevingsvergunning bouwactiviteit (tijdelijk bouwwerk), wijzigen (voorschriften) omgevingsvergunning, intrekken omgevingsvergunning, maatwerkbesluit en zienswijzen, bezwaar en beroep. Indien zij in grote mate voorkomen dan kunnen zij van invloed zijn op de capaciteit.

Intrekkingsstrategie

In het geval dat een toestemming om een activiteit uit te voeren niet gerealiseerd wordt, kan de vergunning worden ingetrokken volgens de Omgevingswet. Voordat een vergunning wordt ingetrokken wordt de vergunninghouder geïnformeerd over de mogelijkheid van het bestuursorgaan om de vergunning in te trekken. Dit is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. Wanneer binnen een jaar geen uitvoering is gegeven aan de vergunning, kan de intrekkingsprocedure opgestart worden. Dit geldt ook voor oudere vergunningen.