Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Verplichtingen beheerder

Onderdeel van Verordening opslag gas-, huisbrand- en stookolie

De beheerder van een inrichting is verplicht: te zorgen, dat de inrichting in een goede staat van onderhoud verkeert; -indien een redelijk vermoeden bestaat, dat in één der onderdelen van de inrichting zich een lek voordoet of deze in slechte staat verkeert- dit/deze te onderzoeken door de tank en/of de leiding(en), nadat de brandstof daaruit is verwijderd, in aanwezigheid van een daartoe bevoegde deskundige op dichtheid te beproeven bij een inwendige overdruk van 2 kgf/cm² met water; bij het beproeven mag gedurende tenminste twee uren geen drukverlaging optreden; na te leven de voorschriften, die burgemeester en wethouders uit een oogpunt van bescherming van de bodem tegen van de inrichting te duchten bijzondere gevaren ten aanzien van het in werking brengen en in werking houden van de inrichting bij openbaar bekend te maken besluit hebben gesteld of in verband met de aard van de inrichting nader stellen. Tenzij blijkens de verklaring van het KIWA, bedoeld in artikel 3, lid 1 onder a, ad C, bescherming van de tank en de daarbij behorende leidingen door middel van kathodische bescherming niet is vereist, is in geval van opslag in ondergrondse tanks de beheerder van een in artikel 2 bedoelde inrichting, die onder de werking van deze verordening is opgericht, uitgebreid of gewijzigd, voorts gehouden voor het einde van elk kalen-derjaar in te zenden een bewijsstuk, dat de kathodische bescherming in goede staat verkeert. Dit bewijsstuk moet zijn afgegeven door een daartoe bevoegde deskundige en mag op het tijdstip van inzending niet ouder zijn dan één maand. Indien de inrichting in werking is gebracht in de tweede helft van het kalenderjaar, behoeft bedoeld bewijsstuk in dat jaar niet te worden overgelegd. Wanneer een inrichting, bedoeld in artikel 2, is gelegen in een be-schermd waterwingebied, is de beheerder daarvan gehouden telkens vóór de afloop van een periode van tien jaar aan burgemeester en wethouders in te zenden een bewijsstuk, dat de gehele inrichting in deugdelijke staat verkeert. Dit bewijsstuk moet zijn afgegeven door een naar het oordeel van burgemeester en wethouders deskundige installateur en mag op het tijdstip van inzending niet ouder zijn dan vier weken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel