Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7. › Paragraaf 7.2.

Artikel 7.2.2.

Aanvullende eisen horizontale ligging

Onderdeel van Handboek Kabels en Leidingen Gemeente Laarbeek 2025

1.. Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen worden zoveel mogelijk vermeden. Hiermee wordt bij de engineering terdege rekening gehouden en waar mogelijk worden bij voorkeur alternatieve routes gekozen. Is het werken aan- of bij bomen of andere groenvoorzieningen toch onvermijdelijk dan kan dat pas na overleg en met goedkeuring van de toezichthouder/boombeheerder. 2.. Voorafgaand aan de engineering wordt door de grondroerder bij het college de (digitale) bomenkaart opgevraagd. Indien er zich in het tracé te handhaven (monumentale) bomen bevinden worden die, inclusief kroonprojectie) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven. 3.. Wegkruisingen die d.m.v. een persing of gestuurde boring worden gerealiseerd worden op minimaal 5,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd. 4.. Bij wegkruisingen bij gescheiden rijbanen of fietspaden met tussenliggende groenstroken bestaat de mantelbuis (indien mogelijk) uit één lengte. De mantelbuizen worden alleen aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen, niet in de kruisingsvlakken van wegen. 5.. Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen of andere groenvoorzieningen moet worden gewerkt, dan worden er een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen (Hoofdstuk 9) dat schade aan de betreffende boom, groenvoorziening en aan de te leggen kabel of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1 vierde lid worden er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast of er worden (gestuurde) boringen gemaakt. Alle voorzorgsmaatregelen en beschermende maatregelen worden vooraf ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthouder/boombeheerder.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel