Het college maakt gebruik van de in artikel 58 vierde lid Participatiewet en artikel 25 vierde lid IOAW en IOAZ, genoemde bevoegdheid om in de voorgaande zes respectievelijk drie maanden ontvangen middelen te verrekenen met de inkomensvoorziening en hanteert daarbij de volgende voorwaarden:
De verrekening met de bijstand vindt niet langer plaats dan zes maanden en de verrekening met de uitkering vindt niet langer plaats dan drie maanden.
Het na verrekening overgebleven bedrag aan te veel ontvangen inkomensvoorziening, wordt terug- en ingevorderd volgens de daartoe in de beleidsregels Handhaving Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 genoemde bepalingen.
Het maandelijks te verrekenen bedrag is, tenzij er uitdrukkelijke toestemming is van de gerechtigde om hiervan af te wijken, nooit hoger dan € 150.
Hoofdstuk
Artikel 4.1.
Verrekenen
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz van de Gemeente Amsterdam