1.. Het college weigert een individuele voorziening als:

  • - Niet voldaan wordt aan de voorwaarden bedoeld als in lid 1 van artikel 3.1 van deze verordening;
  • - Uit de uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag blijkt dat inzet van een individuele voorziening naar het oordeel van het college niet noodzakelijk wordt geacht.
  • - De noodzaak tot ondersteuning voorzienbaar was en maatregelen konden worden getroffen om de hulpvraag overbodig te maken;
  • - Als voor de problematiek, die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
  • - Een aanvraag voor een individuele voorziening is gedaan op een zodanig moment dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning naar het oordeel van het college niet kan plaatsvinden;
  • - De individuele voorziening aantoonbaar niet effectief is voor de hulpvraag van de cliënt en/of het gezinssysteem;
  • - De individuele voorziening niet van goede kwaliteit is als bedoeld in artikel 8.1.1 lid 2 onder c van de Wet;
  • - Er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een bijzondere bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat uit de Wet.
  • - Als de cliënt een individuele voorziening in de vorm van een Pgb wenst en er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een Pgb, dan is het niet toegestaan om dat Pgb te besteden aan inzet van de (dreigende) overbelaste ouder (gezinssysteem) en/of sociaal netwerk.

2.. Het college kan de criteria zoals genoemd in dit artikel nader uitwerken.