1.. Het college hanteert voor wat betreft de wijze van beoordeling voor de noodzaak tot het al dan niet toekennen van een individuele voorziening het onderzoek als bedoeld in artikel 2.7 van de verordening.

2.. Aanvullend op het gestelde in lid 1 hanteert het college de volgende afwegingscriteria bij het bepalen van de in te zetten individuele voorziening;

  • - Normaliseren is het uitgangspunt. De cliënt en het gezinssysteem benutten voldoende hun eigen kracht om met fysieke, mentale en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. Zij voeren daarbij zo veel als mogelijk eigen regie;
  • - De inzet van jeugdhulp is in beginsel systeemgericht en primair gericht op versterking van de eigen kracht van de jeugdige en of ouder(s). De inzet vindt plaats aanvullend op wat de cliënt en het gezinssysteem zelf kunnen;
  • - Het waar mogelijk realiseren van afschaling, dat wil zeggen overgang naar een lichtere vorm van ondersteuning of een algemene voorziening, zodra dit naar het oordeel van het college verantwoord is;
  • - De ondersteuning wordt zo licht (laagdrempelig), integraal en zo nabij als mogelijk ingezet, zo zwaar en specialistisch als nodig;
  • - De ondersteuning vindt waar mogelijk ambulant plaats, zo thuis (normale woonsituatie) en zo nabij in de omgeving van de cliënt als mogelijk;
  • - In de afweging wordt meegenomen welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;
  • - De ondersteuning wordt zo ingericht en opgezet dat een normale manier van opgroeien en opvoeden wordt gestimuleerd. Verblijf is alleen aan de orde wanneer ambulante ondersteuning ontoereikend is gebleken. Verblijf duurt zo kort als mogelijk en is gericht op de behandeling en begeleiding, waarbij het noodzakelijk is om te verblijven bij een aanbieder;
  • - Ambulante ondersteuning is niet plaatsgebonden. De ondersteuning vindt thuis of elders plaats (bijvoorbeeld op school, op een locatie in de wijk of bij een (Pgb-)aanbieder) en kan in een groep of individueel aangeboden worden;
  • - De inzet van jeugdhulp is in beginsel tijdelijk;
  • - De inzet van jeugdhulp leidt niet tot zorg- en/of persoonsafhankelijkheid, maar draagt actief en maximaal bij aan het versterken van de eigen kracht van de cliënt, het gezinssysteem en/of sociaal netwerk;
  • - De inzet van hulp is integraal afgestemd op andere voorzieningen;
  • - Er wordt rekening gehouden met het (toekomst)perspectief van de cliënt;
  • - Ouders en kinderen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor een doeltreffende inzet van voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen en het versterken van hun eigen kracht (medewerkingsplicht);
  • - Een individuele voorziening is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elk kind doormaakt. Dit kan betekenen dat naast een individuele voorziening direct gericht op het kind hieraan de voorwaarde gesteld kan worden dat ouders meewerken aan interventies of een traject of een beroep op algemene en/of voorliggende voorzieningen doen gericht op het versterken van hun eigen kracht. Het college kan ouders in dit kader vragen om een plan van aanpak op te stellen waarin zij aangeven hoe zij hun eigen kracht duurzaam kunnen versterken, waardoor zij (weer) in staat zijn zelf de hulpvraag van de cliënt op te kunnen lossen. Het college weegt dit mee in haar advies ten aanzien van de in te zetten individuele voorziening;
  • - In het geval de jeugdige/ouders aanspraak kunnen doen op een aanvullende verzekering verwacht het college van de jeugdige/ouder(s) dat de aanvullende verzekering wordt aangesproken. Als vaststaat dat hulp noodzakelijk is en meer behandelingen nodig zijn of slechts een gedeelte wordt vergoed vanuit de aanvullende verzekering, dan treft het college hiervoor in het kader van de Jeugdwet (aanvullend) een individuele voorziening indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht.

3.. Het college hanteert naast de afwegingscriteria genoemd in lid 2 de volgende afwegingscriteria bij het bepalen van de in te zetten individuele voorziening, voor zover de voorziening wordt ingezet ter ontlasting/ontzorgen van het gezinssysteem:

  • - De inzet van een individuele voorziening bij (dreigende) overbelasting is altijd tijdelijk met het doel om de (dreigende)overbelasting duurzaam op te heffen;
  • - Bij inzet van een individuele voorziening ter ontlasting/ontzorgen van het gezinssysteem wordt altijd een professionele hulpverlener ingezet, niet zijnde de ouder(s);
  • - Van ouder(s) wordt verwacht dat zij een plan van aanpak opstellen om de (dreigende) overbelasting op te lossen en dat zij in de tijd dat jeugdhulp wordt gegeven werken aan dit plan van aanpak;
  • - De inzet van jeugdhulp bij (dreigende) overbelasting is gericht op een duurzame oplossing, dat wil zeggen dat de hulp gericht is op het gezinssysteem in gezamenlijke verantwoordelijkheid tot het verkrijgen van voldoende eigen kracht. In beginsel wordt daarom de jeugdhulp ingezet in de thuissituatie;
  • - Voor de inzet van jeugdhulp bij (dreigende) overbelasting moet een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de zorg die geboden wordt en noodzakelijk wordt geacht in het kader van de Jeugdwet. Bij overbelasting met een andere oorzaak dan de zorg aan het kind dient de oorzaak van deze overbelasting opgelost te worden;
  • - Wanneer de indicatieduur voor een individuele voorziening is verlopen en een nieuwe aanvraag wordt gedaan voor hulp (herindicatie), zal naast het onderzoek als bedoeld in artikel 2.7 van de verordening onderzocht worden of en welke inspanningen zijn verricht om de overbelasting terug te dringen. Hierbij geldt het uitgangspunt van de Wet dat van ouders een actieve rol verwacht wordt om de op hun weg komende problemen (waaronder (dreigende) overbelasting) zelf of met behulp van hun eigen netwerk of andere mogelijkheden op te lossen.