Artikel 2:12, tweede lid, onderdeel a, van de Apv bepaalt dat de omgevingsvergunning geweigerd wordt ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg.
Een uitweg leidt tot gevaar voor het verkeer op de weg en wordt geweigerd in de volgende situaties:
- - op een plaats waar de rijweg zodanig smal is dat de uitweg wegens te beperkte manoeuvreerruimte met een motorvoertuig niet direct kan worden in- of uitgereden;
- - op een onoverzichtelijke plek, waaronder in elk geval wordt verstaan:
- - op of binnen een afstand van 5 meter van een rotonde, kruispunt of splitsing van wegen;
- - in een onoverzichtelijke bocht of binnen een afstand van 5 meter van een onoverzichtelijke bocht;
- - op of binnen een afstand van 5 meter van de plaats van opstelstroken dan wel voorsorteervakken op de rijbaan;
- - op of binnen een afstand van 5 meter van een oversteekplaats voor fietsers en/of voetgangers;
- - op of binnen een afstand van 25 meter van verkeerslichten of een spoorwegovergang;
- - bij objecten die het vrije zicht belemmeren vanaf de uitweg op de rijbaan, het fietspad of het trottoir, zoals een muur, een schutting, struiken of een bomenrij.
- - als de lengte van de parkeerplaats op eigen terrein kleiner is dan 5,00 meter, deze daardoor gedeeltelijk op de openbare weg ligt en hierdoor de vrije afwikkeling van het verkeer in het geding is.