Artikel 2:12, tweede lid, onderdeel b, van de Apv bepaalt dat de omgevingsvergunning geweigerd wordt indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats.
Of er sprake is van het vervallen van één of meer openbare parkeerplaatsen vanwege de uitweg wordt bepaald aan de hand van een door de gemeente uit te voeren berekening van de hoeveelheid parkeerruimte zonder en met de uitweg. Bij deze berekening worden de op het moment van de aanvraag geldende richtlijnen van de CROW gevolgd voor wat betreft de lengte van een parkeerplaats.
Bij noodzaak wordt gekeken naar:
- - Het doel van de uitweg. Een uitweg is noodzakelijk wanneer deze:
- - toegang biedt tot een garage bij een gebouw op een particulier perceel;
- - toegang biedt tot een rijweg op een particulier perceel ter ontsluiting van een gebouw of bouwwerk (geen gebouw zijnde);
- - toegang biedt tot parkeergelegenheid op een perceel als dit door de gemeente vereist wordt om aan gehanteerde parkeernormen te voldoen.
- - In de situatie waarin er één of meer openbare parkeerplaatsen zullen vervallen vanwege de uitweg en de uitweg dient niet één van de genoemde doelen, dan wordt de uitweg geweigerd.
- - De gevolgen voor de openbare parkeergelegenheid. In de situatie waarin er één of meer openbare parkeerplaatsen zullen vervallen vanwege de uitweg en er reeds in de situatie zonder de uitweg sprake is van onvoldoende openbare parkeergelegenheid, dan wordt de uitweg geweigerd.
Deskundigen van de gemeente toetsen of er sprake is van voldoende openbare parkeerruimte aan de hand van de door de gemeente gehanteerde parkeernormen per functiecategorie (type woning, type bedrijf, type maatschappelijke instelling e.d.) voor het gebied binnen een straal van 100 meter rond de aangevraagde uitweg.