De in Artikel 11 -, bedoelde autoparkeerplaatsen moeten voldoen aan:
- - De maximale loopafstanden van de hoofdtoegang van de bouwontwikkeling tot de voetgangerstoegang de parkeervoorziening, zoals opgenomen in bijlage 9;
- - de richtlijnen in de ASVV (Aanbevelingen voor Stedelijke Verkeer Voorzieningen) en de NEN 2443. Er geldt daarbij altijd dat:
- - een haaks parkeervak een minimale breedtemaat van 2,50 m heeft;
- - een langsparkeervak een minimale breedtemaat van 2,00 meter heeft met een naastgelegen uitstapstrook of trottoir van minimaal 45 cm (inclusief trottoirband);
- - een haaks of diagonaalparkeervak dat direct naast een verticaal obstakel ligt, zoals een muur, heg, paaltje of pilaar, met 15 cm wordt verbreed;
- - als aan beide kanten van een haaks of diagonaal parkeervak een verticaal obstakel staat zoals bedoeld onder b, het parkeervak met 35 cm wordt verbreed;
- - een parkeerweg waaraan haakse of diagonale parkeervakken gelegen zijn minimaal 1 meter na het laatste parkeervak doorloopt ten behoeve van de mogelijkheid om het laatste parkeervak goed te kunnen verlaten.
- - de eisen uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) voor onder andere de aanleg van elektrische laadinfrastructuur;
- - parkeerplaatsen zijn niet eerder aan andere (nog niet gerealiseerde) bouwplannen toegerekend;
- - de rekenwaarde van een parkeerplaatsen wordt toegepast, zoals opgenomen in bijlage 13.