1.. De hoogte van het Pgb voor aanschaf van een woonvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate woonvoorziening in natura.

2.. De goedkoopst adequate woonvoorziening blijkt uit door ten minste drie leveranciers laagst geoffreerde bedrag.

3.. Indien een Pgb voor aanschaf van een woonvoorziening wordt verstrekt, kan zo nodig ook een Pgb voor instandhoudingskosten worden toegekend.

4.. Het Pgb voor instandhoudingskosten wordt jaarlijks betaald gedurende de technische levensduur van de woonvoorziening.

5.. De hoogte van een Pgb voor instandhoudingskosten bedraagt het door het college vastgestelde tarief of het goedkoopst adequaat geoffreerde tarief. De door de het college vastgestelde tarieven zijn:

Categorie

Soort voorziening

Tarief 2024 in €

Index 20251

Tarief

2025 in €

Tillift

Tillift

118,69

4,25%

123,79

Douche- en toiletstoel

Douche- en toiletstoel

22,13

4,25%

23,07

1 Indexering 2025 op basis van 70% CPI en 30% OVA

6.. De vergoeding wordt door de gemeente aan de persoon die de facturen heeft betaald, uitbetaald, na overleg van de gereedmelding en facturen van de gerealiseerde aanpassingen.

7.. Als de cliënt een bouwkundige woningaanpassing in natura wenst, betaalt de gemeente de facturen aan de aannemer.

8.. Woonvoorzieningen in natura als bedoeld in artikel 3.7 van de verordening duurder dan € 350,- worden in bruikleen verstrekt. (Verordening artikel 3.1 lid 6)

9.. Indien het college een woningaanpassing heeft verstrekt en de cliënt verhuist binnen 10 jaar, nadat de woningaanpassing is verstrekt, dan dient de meerwaarde van de woning door de woningaanpassing – onder verrekening van de voldane eigen bijdrage als bedoeld in artikel 8.2 - te worden terugbetaald aan het college tot maximaal de kostprijs van de woningaanpassing.

10.. Woonvoorzieningen verstrekt in de vorm van een Pgb kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de cliënt, het niet meer adequaat zijn van de voorziening of bij verhuizen van de cliënt. De restwaarde van de woonvoorziening kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald:

Bij overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening of bij verhuizen

Restwaarde als percentage van het verstrekte persoonsgebonden budget

Eerste jaar

60%

Tweede jaar

50%

Derde jaar

40%

Vierde jaar

30%

Vijfde jaar

20%

Zesde jaar

10%

Zevende jaar

0%