1.. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp.

2.. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat het gebruik van algemene en/of voorliggende voorzieningen zoveel mogelijk wordt gestimuleerd. De inzet van algemene en/of voorliggende voorzieningen gaat altijd voor op de inzet van een individuele voorziening.

3.. Voor een algemene voorziening is geen (diepgaand) onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt nodig.

4.. Er is geen beschikking noodzakelijk om deel te kunnen nemen aan een algemene voorziening.

5.. Inzetten van een algemene voorziening wordt mogelijk geacht indien de algemene voorziening:

  • - Daadwerkelijk beschikbaar is;
  • - Een adequate compensatie biedt voor de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s);
  • - Door de client financieel gedragen kan worden.