1.. Het college merkt een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel (hierna: voorziening) als algemeen gebruikelijk aan als:

  • - Deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
  • - Daadwerkelijk beschikbaar is;
  • - Een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en;
  • - Deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

2.. Onder een minimuminkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Daarbij is het niet relevant of de aanvrager zelf een minimuminkomen heeft. Volgens het college kan een hulpmiddel financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau als de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag op grond van de Participatiewet ten tijde van de aanvraag. Onder bijstandsnorm wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 5 onder c van de Participatiewet.

3.. Bij het criterium of een voorziening financieel draagbaar is met een minimuminkomen wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van de aanschaf van voorzieningen binnen een tweedehands aanbod.

4.. Bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, mag het inkomen en/of vermogen van de persoon geen rol spelen.

5.. Het college merkt de in bijlage 2 voorzieningen in elk geval als algemeen gebruikelijke voorzieningen aan. Deze lijst is niet limitatief en kan door het college worden aangepast aan de hand van maatschappelijke ontwikkelingen en rechtspraak.

6.. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen.