1.. Onder ‘gebruikelijke hulp’ wordt verstaan de normale dagelijkse hulp die de partner en andere huisgenoten (waaronder kinderen) geacht worden elkaar te bieden, omdat ze een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden.

2.. Onder huisgenoot wordt verstaan: iedere persoon met wie de belanghebbende duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont, anders dan in een commerciële huurders- of kostgangersrelatie. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of er sprake is van inwonendheid wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld.

3.. Wat concreet valt onder ‘gebruikelijke hulp’ wordt bepaald door wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van een partner en andere huisgenoten.

4.. Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht om bijvoorbeeld (niet limitatief):

  • - Het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken;
  • - Mee te gaan met familiebezoek of naar de huisarts;
  • - Te ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie of dit over te nemen;
  • - Te ondersteunen bij de opvoeding van en zorg voor kinderen;
  • - Te activeren tot het ondernemen van en te begeleiden bij het normale maatschappelijke verkeer binnen de levenssfeer;
  • - Gezamenlijk activiteiten te ondernemen;
  • - Te ondersteunen bij de persoonlijke hygiëne/zelfzorg;
  • - Te ondersteunen bij het verkrijgen van een dag/weekstructuur;
  • - Te ondersteunen bij verplaatsingen binnen de leefomgeving met een incidenteel karakter die gepland kunnen worden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van vrienden, familie, huisarts en specialisten.

4.. Het college onderzoekt aan de hand van de individuele omstandigheden en situatie de mogelijkheden van de inwoner om met (onder meer) gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren.

5.. Het college onderzoekt welke hulp in een specifieke situatie van de huisgenoot in redelijkheid gevraagd kan worden. De huisgenoot is verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met de behoeften en persoonskenmerken van de inwoner. Ook dienen de mogelijkheden van de persoon die de gebruikelijke hulp verleent daarbij betrokken te worden.

6.. Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht. Hierbij dient wel onderzocht te worden wat de reden van overbelasting is. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Het college kan huisgenoten in dit kader vragen om een plan van aanpak op te stellen waarin zij aangeven hoe zij hun eigen kracht duurzaam kunnen versterken, waardoor zij (weer) in staat zijn zelf de hulpvraag van de cliënt op te kunnen lossen. Het college weegt dit mee in haar advies ten aanzien van de in te zetten individuele voorziening. Het plan wordt meegewogen om het effect van de ondersteuning uit een maatwerkvoorziening in beeld te krijgen. Hierdoor komt er perspectief inzake het wel/niet voortbestaan van overbelasting in relatie tot de efficiëntie van de ingezette ondersteuning. Het college kan zo een juiste afweging maken.

7.. Als de cliënt een maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb wenst en er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een Pgb, dan is het niet toegestaan om dat Pgb te besteden aan inzet van de (dreigende) overbelaste huisgenoot. Een verstrekking van een Pgb kan de overbelasting niet wegnemen.

8.. Indien een persoon huisgenoten heeft die in staat zijn om de huishoudelijke taken over te nemen, dan wordt verondersteld dat zij deze taken overnemen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk (het draaiende houden van een huishouden). Van iedere volwassene wordt verwacht dat zij naast andere dagelijkse bezigheden (werk, vrije tijd, enz.) een huishouden kunnen voeren. Indien een huisgenoot vanwege beperkingen uitvalt, wordt verwacht dat een andere huisgenoot deze taken overneemt. Dit geldt voor alle huisgenoten van 18 jaar en ouder. Er is sprake van een verplichtend karakter. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen huisgenoten op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden.

9.. In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit minderjarige kinderen, dan gaat het college ervan uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan het huishouden. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder de schoolprestaties.

10.. De volgende richtlijnen worden gehanteerd ten aanzien van gebruikelijke hulp van kinderen in het huishouden:

  • - Kinderen van 0 tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden;
  • - Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als helpen met: opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, in- en uitpakken van de vaatwasser, een boodschap doen, kleding in de wasmand leggen;
  • - Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen;
  • - Het college let in het bijzonder op de situatie van de jonge mantelzorgers. De jonge mantelzorger wordt zo nodig uitgenodigd bij het onderzoek.