In het BBV staat dat op vaste activa met een beperkte gebruiksduur in beginsel jaarlijks wordt afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur (artikel 64, lid 3).
De levens- of gebruiksduur van vaste activa wordt bepaald door technische slijtage en economische veroudering. Tussen deze twee soorten levensduur zit verschil, te weten:
de technische levensduur is de periode waarin het technisch mogelijk is het actief te gebruiken;
de economische levensduur is de periode waarin het actief naar schatting ook economisch kan worden gebruikt, dat wil zeggen dat de voordelen opwegen tegen de kosten.
Voor het bepalen van de afschrijvingstermijn wordt de economische levensduur gehanteerd.
Die levensduur is gebaseerd op een schatting; daarom moeten daarvoor richtlijnen worden opgesteld. Die zijn op onderdelen gebonden aan wettelijk voorgeschreven termijnen. Dit betreft:
het activeren van disagio: de maximale afschrijvingstermijn hiervan is gelijk aan de looptijd van de lening (artikel 64, lid 4);
de kosten van onderzoek en ontwikkeling: de maximale afschrijvingstermijn hiervan is vijf jaar (artikel 64, lid 5).
De meest effectieve en eenvoudige manier om tot deze richtlijnen te komen is het opstellen van een overzicht waarin per activasoort de levensduur wordt weergegeven. Die levensduur is dan gelijk aan de termijn waarover de activa wordt afgeschreven. In de bijlage 1 bij deze nota staat een afschrijvingstabel.
De in deze tabel opgenomen termijnen worden gehanteerd van voor investeringen vanaf 1 januari 2020.