• - Bloemrijk gras is minimaal 3 m breed;
  • - De geomorfologische opbouw wordt zoveel mogelijk behouden. Natuurtechnisch afgraven wordt hier toegepast, en afvoeren van de bovenste rijke bouwvoor;
  • - Diepte van afgraven, afhankelijk van doelstelling, met als uitgangspunt dat de bovenste grondlaag verschraald wordt of blijft;
  • - In de bouwvoor zit bij aanleg maximaal 1 tot 1,5% organische stof.

Eisen groeiplaats bloemrijke vegetatie

  • - Laagdikte doorwortelbare ruimte bedraagt minimaal 0,30 m, daaronder mag geen storende grondlagen aanwezig zijn.

Eisen aanleg

  • - Het terrein dient tot een maaibaar geheel afgewerkt te worden, zonder hoogteverschil aan de band aangelegd te zijn;
  • - Kruidenmengsel, 0,10 kg/are (kruidenmengsel wordt door de gemeente beschikbaar gesteld tegen de kostprijs). Ten behoeve van het zaaien het zand met scherpzand opmengen, verhouding 1:7;
  • - Samenstelling Kruidenmengsel in overleg met de projectleider van de gemeente;
  • - Hoeveelheid en samenstelling mengsel tijdig doorgeven i.v.m. beperkte beschikbaarheid diverse zaden;
  • - Het zaad 10 tot 20 mm onderwerken en de grond licht aandrukken.

Onderhoudsperiode

  • - Maaien terrein in mei of juni, en in september. Tijdens maaibeurt geen afval kapot maaien. Geen vervuiling op omliggende bestrating. Maaisel afvoeren en geen vervuiling op terrein en op omliggende bestrating; Indien er veel storingsonkruiden zijn, in het eerste jaar na inzaaien, een extra maaibeurt toepassen, en het maaisel afvoeren;
  • - Bijmaaien randen en rondom obstakels gelijktijdig met maaibeurt. Maaisel afvoeren en geen vervuiling op terrein en op omliggende bestrating;
  • - Grashoogte binnen een afstand van 0,30 m van obstakel of boom ≤ 3x hoogte omliggende gras. Geen grastossen op de mat en geen vervuiling op omliggende bestrating;
  • - Vakken en/of gedeelte ten bate van uitzichtpunten verkeer en randen langs fiets en/of voetpaden 2x per seizoen maaien (mei en september).

Vaste planten

In principe worden er geen vaste planten toegepast in het (toekomstig) openbaar groen. In bijzondere situaties kan dit in overleg deel uitmaken van het plan. Dan gelden de volgende eisen:

  • - Alleen vaste plantensoorten toepassen die sterk genoeg zijn in de openbare ruimte en die onderhoudsextensief zijn. Keuzes in overleg met een groendeskundige van de gemeente.

Eisen groeiplaats

  • - Teelgrond bevat minimaal 3% organische stof (stabiele humus);
  • - Laagdikte teelgrond en/of doorwortelbare ruimte bedraagt minimaal 0,40 m, daaronder mogen geen storende grondlagen aanwezig zijn;
  • - Grond moet vrij zijn van wortelonkruiden.

Bestaande grond verbeteren

Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 tot 2% organische stof bevat.

Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:

  • - Compost en dergelijke (voldoende uitgerijpt) tot 2 m3 per 100 m2 onkruidvrij;
  • - Wormenmest en dergelijke tot 0,15 m laagdikte;
  • - Dendrovorm en dergelijke tot 8 kg per 100 m2;
  • - Homogeen doormengen (spitfrezen) in de bovenste 0,40 m grondlaag. Dendrovorm doorwerken in de bovenste 0,15 m.

Eisen aanleg

  • - Beplantingsplan en plantlijst maken met vermelding van soort (wetenschappelijke naam) en maat;
  • - Toepassing van de juiste soorten op de juiste plaats;
  • - Aanplantmaat: minimaal potmaat P9;
  • - Beplanting niet terug knippen anders dan beschadigde delen;
  • - 8-12 planten per m2 afhankelijk van het sortiment, uitgangspunt is binnen 2 jaar een gesloten plantvak te verkrijgen. Planten in driehoeksverband;
  • - Beplanting moeten vrij zijn van neonicotinoïden en neonicotinevrij gekweekt zijn.

Onderhoudsperiode

  • - Opslag en onkruidvrij houden plantvak. Onkruidbedekking conform CROW-beeldkwaliteit A;
  • - Ontwikkelaar dient de beplanting zo nodig water te geven;
  • - Bij oplevering aan het einde van de onderhoudstermijn dienen de vaste planten levensvatbaar en onbeschadigd te zijn.