Wegvakken worden op elkaar aangesloten door middel van bochtstralen. De bochtstralen moeten geschikt zijn voor een maatgevend voertuig om te kunnen passeren. De grootte van de bochtstraal is afhankelijk van de effectieve breedte en de toegestane rijrichtingen van beide wegvakken die op elkaar aansluiten, zie onderstaande figuur.

Een indicatie voor de bochtstralen bij kruisingsvlakken:

  • - R ≥ 15,0 m, bij gebiedsontsluitingswegen;
  • - R ≥ 8,0 m, bij erftoegangswegen met relatief middelmatige (middeldruk) verkeersfunctie;
  • - R ≥ 6,0 m, bij erftoegangswegen met geringe verkeersfunctie (woonstraten).

Een indicatie voor de bochtstralen bij in de rijbaan:

  • - R ≥ 50,0 m, bij gebiedsontsluitingswegen en/of erftoegangswegen met ontwerpsnelheid 50 km/u;
  • - R ≥ 15,0 m, bij erftoegangswegen met ontwerpsnelheid 30 km/u.

Ontwerpuitgangspunten:

  • - Bij erftoegangswegen binnen de bebouwde kom (ETW30 / 30 km-zone) kan een groot voertuig gebruik maken van de volle breedte van zowel de toeleidende weg als de zijweg;
  • - Op gebiedsontsluitingswegen (50 km/h) en industrieterreinen moet vrachtverkeer elkaar in de bocht kunnen passeren;
  • - Bij parkeren op de rijbaan wordt de effectieve breedte verkleind waardoor de fictieve bochtstraal groter moet worden. Het eerste parkeervak moet op zodanige afstand van de kruising worden gerealiseerd, dat de grotere bochtstraal in de praktijk mogelijk is;
  • - Het maatgevende ontwerpvoertuig tot en met wegbreedtes van 5,50 m is een vrachtauto (draaicirkel = 9,80 m), bij wegbreedtes van 6,00 m en groter is het ontwerpvoertuig een trekker met oplegger (draaicirkel = 12,00 m);
  • - Het ontwerp toetsen met een rijcurve simulatie conform het maatgevende ontwerpvoertuig.