1. Het college neemt elk jaar een paragraaf in de begroting op waarin de speerpunten voor participatie in het komend jaar benoemd worden.

2. Het college neemt elk jaar een paragraaf in het jaarverslag op waarin het college verslag doet van de uitvoering van deze verordening.

3. De leden 1. en 2. van dit artikel gelden vanaf het eerste jaar na inwerkingtreding van deze verordening.

4. In de paragraaf in het jaarverslag evalueert het college:

a. de wijze waarop participatieprocessen zijn georganiseerd;

b. de rolinvulling door de gemeenteraad en het college;

c. de gebruikte instrumenten, resultaten en kosten van de participatieprocessen;

d. de belangrijkste ervaringen, lessen en de aanbevelingen die hieruit voortvloeien.