1. Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de belanghebbende in
de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
indien:
a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
c. de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
college of van een derde aan wie het college met toepassing van
artikel 7 vijfde lid van de wet werkzaamheden in het kader van de
wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet;
d. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; of
e. de verlaging wordt toegepast wegens zeer ernstige misdragingen
als bedoeld in artikel 39 eerste lid.
3. De belanghebbende die in aanmerking komt voor een afstemming als
bedoeld in artikel 39 tweede lid is niet langer verplicht terzake
van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het de
afstemming betreft. De belanghebbende wordt hiervan in kennis
gesteld voordat hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 29
Horen van belanghebbende
Onderdeel van Verordening Wet werk en bijstand