Bij een organisatiewijziging geldt ten aanzien van de plaatsing van werknemers in de nieuwe organisatie het uitgangspunt ‘mens-volgt-werk’. Dit houdt in dat de werknemer, zo mogelijk, wordt geplaatst in de eigen, ongewijzigde functie.
Is plaatsing in de eigen functie niet mogelijk, dan is de plaatsingsvolgorde als volgt:
de werknemer wordt geplaatst in een uitwisselbare functie;
de werknemer wordt geplaatst in een passende functie;
de werknemer wordt geplaatst in een geschikte functie. Als het aantal te plaatsen werknemers het aantal beschikbare functies overtreft, geldt bij de plaatsing het afspiegelingsbeginsel (volgens UWV-systematiek).
Het afspiegelingsbeginsel leidt per groep van uitwisselbare functies tot een plaatsingsvolgorde van werknemers. Na de plaatsingsprocedure wordt deze rangordening van werknemers die niet konden worden geplaatst, gehanteerd als er binnen 1 jaar na de reorganisatie in de groep van uitwisselbare functies vacatures ontstaan.