Ten aanzien van het generatiewonen geldt dat één voor bewoning te gebruiken bij het hoofdgebouw (de woning) behorend vrijstaand bouwwerk mag worden gebruikt ten behoeve van het samenwonen van generaties, mits:
Het bestaande hoofdgebouw niet bouwkundig wordt gesplitst ten gunste van het generatiewonen. Als een nieuw bijbehorend bouwwerk wordt benut voor het generatiewonen, dan moet in elk geval zijn voldaan aan de vereisten van het geldend Bbl die gelden voor een nieuwe woning.
het karakter van de bestaande woning zoals deze is op het moment van de aanvraag als hoofdgebouw behouden blijft. Het bijbehorend bouwwerk rijgt echter wel een apart huisnummer;
er geen extra in/uitrit als ontsluiting naar het perceel wordt gerealiseerd;
het parkeren ten gunste van de voorziening voor generatiewonen op eigen terrein plaatsvindt. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van de meest actuele CROW normen.
er op het perceel niet meer dan één extra woonsituatie t.b.v. het generatiewonen mag ontstaan én niet meer dan één bijbehorend bouwwerk als zodanig mag worden bewoond;
de situatie niet leidt tot ongewenste stedenbouwkundige situaties, dit ter beoordeling van de Welstandscommissie/Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit (gemeentelijk);
omliggende (agrarische) bedrijven niet in hun bedrijfs(-ontwikkelings) mogelijkheden mogen worden beperkt.
Wanneer het gebruik voor generatiewonen is beëindigd, dan moeten alle voorzieningen in de generatiewoning die bewoning mogelijk maken worden verwijderd en verwijderd gehouden. Het bijbehorend bouwwerk dat als zodanig was ingericht met de betreffende voorzieningen moet dan functioneel weer in overeenstemming met het bestemmingsplan worden gebracht.
De oorspronkelijke woning en de toe te voegen woonruimte blijven in planologische zin altijd één hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk. Aan het tijdelijk gebruik in relatie tot het meergeneratiewonen kan nooit het recht worden ontleend voor een definitief gebruik als twee woningen (woningsplitsing) of voor gebruik als zelfstandige woning.
Hardheidsclausule: het college van b en w kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van deze beleidsregels.
In beginsel wordt een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels van het omgevingsplan ten gunste van het realiseren van een generatiewoning als bijbehorend bouwwerk maximaal 15 jaar verleend. Binnen die periode wordt beoordeeld of deze vergunningen permanent kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan. Opname in het omgevingsplan wordt niet overwogen voor generatiewoningen in de vorm van chalets/woonunits.
Puntsgewijze toelichting op de beleidsregels voor Generatiewonen
Bij generatiewonen wordt in planologische zin geen extra hoofdgebouw toegevoegd. In planologische zin blijft er sprake van één woonperceel met één hoofdgebouw en de daarbij behorende bouwmogelijkheden. Er worden dus geen extra bijbehorende bouwwerken mogelijk gemaakt. De generatiewoning is daarmee planologisch onlosmakelijk verbonden met het bestaande hoofdgebouw, zijnde een woning, zij het als onderdeel van het hoofdgebouw of als bijbehorend bouwwerk bij die woning.
We kennen aan een gebouw dat gebruikt wordt voor bewoning een huisnummer toe. Hiermee ontstaat geen onduidelijkheid over de mogelijkheid van het aanvragen van bijvoorbeeld extra vuilniscontainers en gemeentelijke heffingen. Daarbij is er in noodgevallen voor de hulpdiensten duidelijk in welk gebouw de nood zich voordoet. Dit kan kostbare momenten schelen. Aanvragers/initiatiefnemers zijn echter zelf verantwoordelijk voor het onderzoek naar privaatrechtelijke en individuele gevolgen (toeslagen/WMO voorzieningen).
Deze voorwaarde ziet toe op de ruimtelijke uitstraling van een bestaande woning. De ruimtelijke uitstraling moet gericht blijven op het wonen in één woning. Er mag geen extra in/uitrit worden gerealiseerd ter ontsluiting van het perceel.
Wij vinden het niet verantwoord om de toename van parkeerdruk door toename van het aantal woningen op het bestaand openbaar gebied af te wentelen. De bestaande parkeervoorzieningen in openbaar gebied zijn afgestemd op het bestaand aantal woningen en er is in verreweg de meeste gevallen geen rekening gehouden met een toename van het aantal woningen. Om een onevenredige parkeerdruk op openbaar gebied te voorkomen stellen wij daarom de voorwaarde dat parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen wordt bepaald door de gemeente gehanteerde CROW norm.
In onze omgevingsplannen is bepaald dat een hoofdgebouw, een woning zijnde, niet meer dan door één huishouden mag worden bewoond. Ook is het vestigen van een woonfunctie in vrijstaande bijgebouwen niet toegestaan. Met deze beleidsregels willen we onder voorwaarden afwijken van voorgenoemde verboden.
Een vergunningplichtige situatie wordt beoordeeld door de ARK, dan wel de welstandscommissie. Zij geven hun advies over de wijze van inpassing van de gevraagde functie binnen de bebouwde omgeving.
Ten aanzien van punt g is er sprake van een geluids- en geurgevoelig object. Nu bij de afwegingen over de haalbaarheid van het gevraagde afwijkend gebruik ook een afweging t.a.v. de betreffende omgevingswaarden moet worden gemaakt, is een integrale beoordeling noodzakelijk. Aanvrager moet dus aantonen te voldoen aan de betreffende omgevingswaarden. Hierbij gaat bijzondere aandacht uit naar spuitzoneringen en ingeval van actieve veehouderijen ook naar fijnstof. Hiertoe wordt advies van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord gevraagd. Aan dit advies kennen wij een zwaar gewicht toe.
/i./j/k.: Geen nadere toelichting.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1
Generatiewonen
Onderdeel van Beleidsregels generatiewonen en woningsplitsing