1.. Het college kan, op basis van artikel 3, lid 2 en 3 van de Wet en op basis van overige bepalingen in deze beleidsregels, besluiten tot het weigeren van schuldhulpverlening indien:

  • - Verzoeker niet tot de doelgroep behoort, zoals genoemd in artikel 2 van deze beleidsregels;
  • - Verzoeker, vanwege in de persoon gelegen factoren, niet in staat is een schuldhulpverleningstraject te volgen;
  • - Uit houding en gedragingen van verzoeker ondubbelzinnig blijkt dat cliënt zijn beschikbare middelen niet wil gebruiken ter delging van zijn schulden, dan wel anderszins niet wil meewerken aan zijn schuldhulpverleningstraject;
  • - Verzoeker fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft én de verzoeker in verband daarmee onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of een onherroepelijke bestuurlijke sanctie, die beoogt leed toe te voegen, is opgelegd. In de beoordeling wordt rekening gehouden met de mate van opzet, de ontstaansdatum van de schuld, boete of maatregel en de mate van verwijtbaarheid en persoonlijke omstandigheden van cliënt.
  • - Indien minder dan 3 jaar, voorafgaand aan de dag waarop een verzoek tot schuldhulpverlening is ingediend, door de inwoner een minnelijk (Msnp) of wettelijk (Wsnp) schuldhulpverleningstraject succesvol is doorlopen.
  • - Indien minder dan 3 jaar, voorafgaand aan de dag waarop het verzoek door tot schuldhulpverlening is ingediend, een traject schuldregeling (minnelijk en/of wettelijk) vroegtijdig door toedoen van de inwoner is beëindigd.

2.. Het college kan, na weigering, in bepaalde situatie alsnog toegang tot schuldhulpverlening verlenen, bijvoorbeeld in situatie waarbij cliënt belemmeringen zoals genoemd in 1b en 1c heeft kunnen wegnemen. Dit is altijd ter beoordeling aan het college.

3.. Weigering van toegang tot schuldhulpverlening gaat altijd gepaard met een beschikking, als bedoeld in artikel 4a van de Wet.