1.. De jeugdige en/of de ouder komt slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer de gemeente of een andere verwijzer vaststelt dat:

  • - er sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige, en
  • - inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen:
    • - gezond en veilig op te groeien,
    • - te groeien naar zelfstandigheid,
    • - voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, en
  • - de jeugdige en/of ouder zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (eigen kracht). Wanneer hiervan sprake is, staat in artikel 21 van deze verordening, en
  • - een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag, en
  • - de jeugdige en/of ouder geen aanspraak kan maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen.

2.. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. De beoordeling hiervan is geïnspireerd op informatie uit de Ontwikkelmeter Jeugd. Een product van Pleegzorg Advies Nederland (2011). Auteurs: Eline Engelhart en Hans de Win.

3.. De gemeente weigert een individuele voorziening als:

  • - de jeugdige en/of de ouder de hulpvraag middels eigen kracht of middels het sociaal netwerk kan oplossen;
  • - er gebruik gemaakt kan worden van een aanvullende verzekering die is afgesloten;
  • - er een algemene voorziening of andere voorziening bestaat;
  • - de individuele voorziening betrekking heeft op kosten die zijn gemaakt voor de datum van de aanvraag;
  • - de individuele voorziening aantoonbaar niet effectief is voor de hulpvraag van de jeugdige en/of de ouder.

4.. De gemeente kan beleidsregels vaststellen ter verdere uitwerking van de criteria zoals genoemd in het eerste en tweede lid.