**1..** De gemeente gaat uit van de eigen kracht van de ouder en de jeugdige om problemen op te lossen. De jeugdige en/of de ouder komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) zijn en gebruikmaking van een algemene of andere voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. Onder de eigen kracht wordt in ieder geval verstaan:
- - gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;
- - bovengebruikelijke hulp van ouders;
- - de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;
- - het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.
**2..** Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouder of andere huisgenoten. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdige te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
**3..** Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt de gemeente of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. De gemeente is geïnspireerd op informatie uit de Ontwikkelmeter Jeugd. Een product van Pleegzorg Advies Nederland (2011). Auteurs: Eline Engelhart en Hans de Win.
**4..** Richtlijn ten aanzien van gebruikelijke zorg:
Baby: 0-1 jaar
- - hebben eventueel als dagbesteding een vorm van kinderopvang;
- - hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;
- - toezicht van een volwassene is zeer nabij nodig;
- - vanaf 3 maanden slapen de meeste baby's door en overdag slapen ze 2 tot 3 keer. Vanaf een maand of 8 slaapt de baby 14-16 uur per dag. Siaapritmes zijn zeer wisselend per kind en per moment;
- - vanaf 6 maanden kan een baby dingen gericht gaan pakken, en gaat het zich omrollen, zitten, schommelen in een stoel (oefenen met evenwicht). Deze beweeglijkheid vraagt zicht op een kind;
- - aan het eind van het 1e jaar gaat een kind kruipen en staan, sommigen zelfs lopen. Deze beweeglijkheid vraagt zicht op een kind.
Baby naar peuter: 1-2 jaar:
- - hebben eventueel als dagbesteding een vorm van kinderopvang;
- - hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;
- - toezicht van votwassene is nabij nodig;
- - rond 15 maanden kunnen meeste peuters lopen;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- - bij 1,5 jaar kunnen meeste kinderen de trap opkruipen, gaan op onderzoek uit, kunnen actief lopen;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- - kunnen een beetje meedoen/meehelpen met aankleden, spulletjes opruimen, e.d;
- - vanaf 1,5 jaar wordt een kind 'ondeugend' en gaat bijv. slaan of gillen om aandacht te trekken. Deze fase is ook wel de 'peuterpubertijd' waarin een kind flinke driftbuien kan hebben;
- - rond het 2e jaar breidt de woordenschat van een peuter uit, ze kunnen praten in twee-woord-zinnen;
Ouders stimuleren kinderen door aanbieden en stimuleren van taal;
- - hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding.
Peuter: 2 tot 3 jaar:
- - hebben eventueel als dagbesteding een vorm van kinderopvang;
- - kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);
- - hebben bij alle activiteiten rondom persoonlijke verzorging een ouder nodig;
- - hebben hulp, toezicht, stimulans, en controle nodig bij de toiletgang;
- - leeftijd van zindelijkheid verschilt enorm per leeftijd, varieert van 1,5 jaar tot tegen het 4e jaar;
- - er kan een verschil zijn tussen zindelijkheid overdag en 's nachts;
- - ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- - kunnen zelf zitten en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
- - kunnen hurken, een bal wegschoppen/gooien, van richting veranderen tijdens rennen, trap oplopen;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- - hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
- - kinderen kunnen rond deze leeftijd at een beetje meehelpen/meewerken met aan en uitkleden;
- - vanaf 2 jaar groeit zelfstandigheid, minder op zelf gericht, leert rekening houden met;
- - hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
- - moeite met delen en gevoelens van jaloezie. Kan zin doordrijven door speelgoed van andere kinderen af te pakken. Dilemma: onafhankelijk zijn vs. goedkeuring willen uit angst het fout te doen;
- - een kind van 2 jaar kan beter alleen bezig zijn als het je hoort of ziet. Dat wil niet zeggen dat je steeds bij je kind moet zitten. Ga je eigen gang, maar zorg dat je peuter je af en toe hoort;
- - een kind van 3 jaar kan al wat beter alleen spelen, maar twintig minuten is lang;
- - temperament is van invloed op hoe lang kunt zelf kan spelen (meer behoefte aan afwisseling aan beweging, of juist meer rustig en terugtrekken om zelf te spelen);
- - zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven
Peuter naar kleuter: 3 tot 4 jaar
- - hebben eventueel als dagbesteding een vorm van kinderopvang;
- - kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer). Dit kan iets langer dan bij 2-3 jarige;
- - hebben bij alle activiteiten rondom persoonlijke verzorging een ouder nodig;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- - kan nog niet plotseling draaien of stoppen, kan 40-60 cm ver springen, zelfstandig traplopen (beurtelings ene na andere voet), vanaf 3,5 jaar springen met voeten tegelijk, fietsen met zijwieltjes, steppen en klimmen in een klimrek;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- - hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
- - veel kinderen kunnen zich rond deze leeftijd zelf uitkleden (met een beetje hulp);
- - hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;
- - hier worden ze steeds zelfstandiger in, maar hulp is nog echt nodig. Richting het 4e jaar moeten ze steeds meer zelf kunnen i.v.m. naderende schoolgang;
- - richting de 4 jaar zijn ze vaak overdag zindelijk, en 's nachts niet altijd;
- - ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders;
- - hebben begeleiding nodig bij hun spet en vrijetijdsbesteding;
- - een 3-4 jarige peuter kan steeds meer qua motorische vaardigheden/spel zoals: papier knippen, plakken m.b.v. vinger, een brug of toren bouwen met 8 of 9 blokken, rondjes en plusjes tekenen, vloeistof inschenken zonder morsen en een eenvoudige puzzel maken;
- - kunnen iets langer zelf spelen dan 2-3 jarigen, een half uur is lang voor een kleuter;
- - temperament is van invloed op hoe lang zelf spelen kan (meer behoefte aan afwisseling en beweging, of juist meer rustig en terugtrekken om zelf te spelen);
- - zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.
Kleuter naar schoolkind 4 tot 6 jaar:
- - hebben een reguliere dagbesteding, oplopend van 22 tot 25 uur/week (basisschool groep 3 en 4) en daarnaast eventuele aanvullende reguliere (kinder)opvang/BSO/e.d;
- - kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
- - Ouders kunnen hun kinderen jonger dan 7 jaar niet alleen laten voor een bepaalde tijd ook niet in de auto, schoolpleinen (buiten schooltijd) en speeltuinen etc;
- - hebben toezicht, stimulans en controle nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;
- - zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook;
- - ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders;
- - hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- - hebben goede algemene lichaamsbeheersing, wisselen voortdurende van houding tussen zitten, staan en hurken, hebben plezier in rennen, klimmen en springen en kunnen goed hinkelen;
- - het evenwicht is zo goed dat kind over balk of streep kan lopen;
- - vanaf 5e jaar komt er interesse in sport, er ontwikkelt zich een wedstrijdgevoel (wil de beste zijn);
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- - zelfredzaamheid groeit, kan steeds meer zelf, zoals zelf veter strikken, vlot eten, e.d.;
- - hebben minder begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
- - kunnen zich vanaf 5 jaar steeds beter en langer concentreren (10 minuten concentreren, mits omstandigheden juist zijn, en afhankelijk van type kind en temperament);
- - eerste vriendschappen ontstaan, er wordt gespeeld in groepjes van 2-5 kinderen;
- - hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;
- - krijgen zicht op het verkeer, kan leren oversteken, kijken of er iets aan komt en snapt ook waarom hij dat moet doen;
- - Rond 4 jaar beginnen kinderen te fietsen. Maar ze slingeren bij het omkijken en balans houden bij langzaam fietsen is moeilijk. Pas als het kind de fiets zonder nadenken kan besturen, kan het Ieren deelnemen in het verkeer. Meestal is dit rond 5 jaar;
- - Tot 6 jaar beseffen kinderen niet echt wat dood betekent. Tot deze leeftijd is verkeer nog spel. Ze kunnen alle antwoorden goed geven en willen het graag goed doen, maar omdat ze het begrip gevaar niet kennen, zullen ze op enig moment toch gevaarlijk gedrag gaan vertonen. Kies bewust waar je fietst en denk niet dat als je kind kan fietsen, het ook een goede verkeersdeelnemer is.
Schoolkind 7 tot 9 jaar:
- - hebben een reguliere dagbesteding, oplopend van 22 tot 25 uur/week (basisschool groep 5 en 6) en daarnaast eventuele aanvullende reguliere (kinder)opvang/BSO/e.d;
- - kunnen met minimaal toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is, kan zelfstandig spelen al dan niet met een vriendje);
- - ouders wordt aangeraden om kinderen in de leeftijd 8-10 jaar niet alleen te laten. Als ouders er voor kiezen om dit te doen dan is 30 minuten maximaal, alleen bij daglicht en in de vroege avonduren;
- - hebben stimulans en controle nodig rondom persoonlijke verzorging;
- - hebben de vaardigheden voor persoonlijke verzorging, zoals zichzelf wassen, aan- en uitkleden, en tanden poetsen;
- - hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;
- - zijn zindelijk;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- - grove en fijne motoriek verbetert aanzienlijk, kind beweegt veel, wordt sterker, leniger, behendiger;
- - - 8- en 9-jarigen ontwikkelen zich fysiek minder snel dan afgelopen jaren. Doordat armen en benen sneller groeien wordt het kind sneller moe, is onevenwichtiger en heeft behoefte aan beweging (kan bijv. moeilijk 10 minuten stil zitten);
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- - kunnen dingen zelfstandig, maar hebben sociaal emotioneel nog duidelijk behoefte aan nabijheid (voor gelezen worden i.p.v. zelf lezen, samen tv kijken of spelletjes spelen);
- - leert behoeften steeds beter uitstellen, snapt dat dit ook op een later moment kan;
- - kan steeds beter omgaan met regels en afspraken;
- - concentreren voor ongeveer 20 minuten is mogelijk (mits omstandigheden juist zijn, en afhankelijk van type kind en temperament);
- - kunnen zelfstandig hobby's / sport uitvoeren (ouders brengen en halen);
- - hebben minder begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
- - vinden vanaf 7 jaar spelen met spelregels fijn;
- - besef van goed en fout komt, wat zich ook uit in spel;
- - de groep is uitgangspunt voor wat er gespeeld wordt, er is meer sprake van competitie;
- - hebben minder begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;
- - Voor kinderen van 7 en 8 jaar is er begeleiding nodig;
- - Over het algemeen kunnen kinderen van 9 jaar zonder begeleiding over straat mits de omgeving veilig is, het kind de regels kent en de route geoefend is.
Schoolkind naar puber: 10 tot 12 jaar:
- - hebben een reguliere dagbesteding, oplopend van 22 tot 25 uur/week (basisschool groep 7 en 8) en daarnaast eventuele aanvullende reguliere (kinder)opvang/BSO/e.d;
- - kunnen korte periode zonder toezicht van volwassenen;
- - kinderen kunnen in leeftijd 11-12 jaar voor het eerst alleen gelaten worden voor maximaal 1,5 tot 2 uur, alleen bij daglicht en bij de vroege avonduren;
- - hebben toezicht, stimulans en controle nodig bij hun persoonlijke verzorging;
- - kunnen zich wassen en tanden poetsen. Hebben ouders nodig om hen eraan herinneren en stimuleren dit voldoende te doen;
- - hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling (denk aan het motiveren voor sport en bewegen (niet te lang achter een scherm zitten);
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- - leert abstract denken, kan dingen beter overzien, tijds- en afstandsbesef komt steeds meer;
- - is al redelijk zelfstandig, in staat verantwoordelijkheid te dragen, heeft opvoeders nog wel nodig;
- - kunnen zelfstandig hobby's / sport uitvoeren (brengen en halen niet noodzakelijk);
- - hebben minimale begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer;
- - Vanaf 9 à 10 jaar schatten kinderen gevaarlijke situaties beter in. Ze begrijpen waarom ze bijvoorbeeld niet dicht bij gevaarlijke voertuigen in de buurt moeten komen. Wel hebben ze nog moeite met gecompliceerde situaties en met het combineren van meerdere regels;
- - Het beoordelen van eigen gedrag en keuzes en het inleven in anderen is nog onderontwikkeld. Hierdoor kunnen kinderen niet goed inschatten wat een bestuurder van een voertuig gaat doen. Ook kunnen ze slecht onderscheid maken tussen wat wel en niet belangrijk is in een bepaalde situatie;
- - Vanaf 11 jaar kunnen kinderen hun aandacht gericht focussen op bijvoorbeeld verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan.
Puber: 12 tot 14 jaar
- - hebben een reguliere dagbesteding, oplopend van 22 tot 25 uur/week (middelbare school klas 1 en 2);
- - hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
- - kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden, maar niet 's nachts;
- - hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp, maar wel toezicht/controle nodig;
- - begin van de groeispurt (meestal rond 13e/14e jaar), veranderingen van het lichaam, seksuele rijping maakt het nodig dat ouders aandacht hebben voor seksuele opvoeding;
- - sturen en motiveren voor veranderende persoonlijke verzorging wenselijk;
- - hebben bij gebruik van medicatie toezicht, stimulans en controle nodig;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- - brein ontwikkelt zich in hoog tempo, steeds meer verbindingen in het brein waardoor puber beter kan nadenken over dingen en zich beter kan verwoorden;
- - kunnen zich 30 minuten of langer concentreren op een taak;
- - gebieden in brein voor controlefuncties nog in ontwikkeling. Puber leert al beetje plannen, het werkgeheugen gebruiken en op tijd te stoppen. Hersenen hebben nog moeite met schakelen, het lijkt of ze alles tegelijk doen, maar dan kunnen ze nog niet;
- - vraagt om begeleiding van ouders als het gaan om plannen en organiseren van dagelijks leven (persoonlijke verzorging, huiswerken, hobby's/sport, sociale contacten, e.d.);
- - kunnen zelfstandig hobby's / sport uitvoeren (brengen en halen niet noodzakelijk);
- - hebben minimale begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer;
- - vanaf 11 à 12 jaar zijn de meeste kinderen goed in staat om alle aspecten van het verkeer te begrijpen.
Puber naar vroeg adolescent: 14 tot 16 jaar:
- - hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week (middelbare school);
- - geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
- - kunnen langer alleen gelaten worden, maar niet 's nachts;
- - kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;
- - hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht/controle nodig;
- - pubertijd maakt wel dat interesse hierin kan verminderen, bijv.: een puber snapt niet dat een ouder zich druk kan maken over vieze kleren. Dit vraagt sturing van ouders;
- - vanaf 15 jaar kunnen lichaamsgeuren steeds sterker worden, dit vraagt om extra aandacht voor persoonlijke hygiëne en kan voor onzekerheid bij pubers zorgen;
- - hebben bij gebruik van medicatie toezicht, stimulans en controle nodig;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- - zelfstandigheid groeit, pubers kunnen over het algemeen goed afspraken en risico's inschatten, maar als ze zich in een emotioneel prikkelende omgeving bevinden vergeten ze wat is afgesproken. Vanaf het 15e jaar wordt plannen moeilijker door ontwikkeling in meerdere hersengebieden;
- - Pubers zoeken contact met elkaar en halen daar steun en/of experimenteren met elkaar. De puber wil zo graag bij de groep horen dat hij daar veel voor over heeft zoals spijbelen of straf van ouders;
- - ouders begeleiden dit proces door hun kind te herinneren aan afspraken, te weten waar hun kind is en normen en waarden mee te geven naast dat wat pubers leren in hun vriendengroep;
- - Vanaf het 15e jaar krijgen veel pubers hun eerste verkering. Bijna de helft van de pubers heeft voor het 16e jaar al een keer gevreeën;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk, stimuleren van wenselijk gedrag, stimuleren tot ontwikkeling door aanbieden nieuwe dingen, voorbeeldgedrag);
- - hebben geen begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer.
Puber/vroeg adolescent 16-18 jaar:
- - hebben een reguliere dagbesteding, oplopend van 22 tot 25 uur/week (middelbare school, vervolgonderwijs of werk);
- - geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
- - kunnen steeds meer uren alleen gelaten worden;
- - kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;
- - hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
- - hebben bij gebruik van medicatie jaar toezicht, stimulans en controle nodig;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- - vanaf 16e jaar mogen jongeren scooter gaan rijden, ze worden zelfstandiger, mobieler en onafhankelijker van zijn ouders. Er gebeurt veel in het leven van de puber wat fijn is maar ook onzeker kan maken. Dit vraagt betrokkenheid en coaching van de ouders waar kan;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk, stimuleren van wenselijk gedrag, stimuleren tot ontwikkeling door aanbieden nieuwe dingen, voorbeeldgedrag of het zelfstandig gaan wonen);
- - het is een dynamische periode. Tegenslagen en overwinningen leiden tot persoonlijkheidsontwikkeling.
Ouders vinden hierbij de balans tussen meehelpen en zelf laten doen;
- - het is een dynamische periode. Tegenslagen en overwinningen leiden tot persoonlijkheidsontwikkeling.
- - hebben geen begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer.
Adolescent/jong volwassen 18 — 23 jaar:
- - hebben een reguliere dagbesteding, oplopend van 22 tot 25 uur/week (vervolgonderwijs of werk);
- - geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
- - kunnen alleen gelaten worden.
- - hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp of toezicht nodig;
- - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- - voor de wet zijn ze volwassenen. Hersenen ontwikkelen zich nog door tot hun 25e levensjaar. Pas dan zijn alle functies die volwassenen vanzelfsprekend vinden aanwezig;
- - velen gaan in deze leeftijdscategorie op zichzelf wonen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling;
- - (bv. huiswerk, stimuleren van wenselijk gedrag, stimuleren tot ontwikkeling door aanbieden nieuwe dingen, voorbeeldgedrag of het zelfstandig gaan wonen);
- - het is een dynamische periode. Tegenslagen en overwinningen leiden tot persoonlijkheidsontwikkeling. Ouders vinden hierbij de balans tussen meehelpen en zelf laten doen.
**5..** Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
- - geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;
- - een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of
- - overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.
**6..** Bij de beoordeling van het vijfde lid, onder c, geldt het volgende:
- - Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.
- - Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.
- - Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt de gemeente wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
- - Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten of verminderen van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.
- - Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere jeugdhulpaanbieder moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
**7..** Als uit onderzoek blijkt dat de gebruikelijke hulp niet geboden kan worden door de ouder(s) of andere huisgenoten en er geen algemene of andere voorziening beschikbaar is, kan de gemeente een individuele voorziening toekennen.
**8..** Bovengebruikelijke hulp gaat om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt. De ouders zijn in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. De gemeente beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven.
**9..** De gemeente kent alleen een individuele voorziening toe voor hulp die zich beperkt tot het bovengebruikelijke deel van de benodigde zorg. De gemeente kan bovengebruikelijke hulp onder eigen kracht laten vallen, als de gemeente de volgende vragen heeft beantwoord:
- - Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
- - Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?
- - Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?
- - Blijft de ouder de hulp zonder vergoeding bieden? En zo ja, komt de ouder daardoor niet in de problemen?
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Bij de beoordeling wordt lid 5 betrokken. De gemeente verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
**10..** Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. De gemeente verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
**11..** Sociaal netwerk: personen met wie de jeugdige regelmatig contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld familieleden, huisgenoten, mantelzorgers, buren en medeleden van een vereniging, Als personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/of zijn ouder kunnen bijdragen aan het verminderen of oplossen van de problematiek, wordt dit ook gezien als het aanspreken van 'eigen kracht'.
**12..** Algemene voorziening: als vaststaat welke hulp de jeugdige nodig heeft en dat de ouder en/of het sociaal netwerk hier niet (geheel) in kunnen voorzien, onderzoekt de gemeente of de jeugdige een algemene voorziening kan gebruiken. Als er een algemene voorziening beschikbaar is, kent de gemeente geen individuele voorziening toe.
**13..** Andere voorziening: als vaststaat welke hulp de jeugdige nodig heeft en dat de ouder en/of het sociaal netwerk hier niet (geheel) in kunnen voorzien, onderzoekt de gemeente of de jeugdige aanspraak maakt op een andere (wettelijke) voorziening. Als er een andere voorziening beschikbaar is, kent de gemeente geen individuele voorziening toe.