1.. Een woonvoorziening is gericht op een cliënt die:

  • - aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van de woning, en bewezen heeft niet in aanmerking te komen voor een passende woning, of
  • - een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen.

2.. Een cliënt komt in aanmerking voor een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare ernstige beperkingen in het gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij is aangetoond dat enkel het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin cliënt tot rust kan komen.

3.. Een cliënt kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. Wanneer de kosten voor de woonaanpassing of woonvoorziening hoger zijn dan 7500,- euro geldt het primaat van verhuizen.

4.. Een cliënt kan alleen voor woonvoorzieningen in aanmerking komen als deze rechtmatig een woonruimte bewoont, geen tijdelijke huurovereenkomst heeft en de ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen of uit de slechte staat van onderhoud van de woonruimte.

5.. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt zijn verblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft, als het hoofdverblijf van de cliënt een erkende instelling is. Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, kan het college een maatwerkvoorziening verlenen voor het bezoekbaar maken van die woning.

6.. Een individuele woonvoorziening wordt geweigerd indien ten tijde van het betrekken van de woonruimte door de persoon met beperkingen te voorzien was dat in deze woonruimte beperkingen bij het normale gebruik van de woonruimte zouden worden ondervonden.

7.. Het college verstrekt voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft en geen doelgroepengebouw: automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting.

8.. Het college verleent slechts een woningaanpassing van een woonwagen of woonschip als:

  • - de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minstens 5 jaar is;
  • - de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt;
  • - het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen;
  • - de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond;
  • - de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.